Verslag: De Russische Revolutie: toen en nu

Op vrijdagmiddag 27 oktober jl. organiseerde de TeldersStichting in samenwerking met het VVD-Thematisch Netwerk Internationaal en het European Liberal Forum een symposium met de titel ‘Russian Revolution Then and Now’. Het is dit jaar 100 jaar geleden dat de Oktoberrevolutie in het Russische Rijk uitbrak, op 25 en 26 oktober 1917 (volgens de toenmalige Russische tijdrekening, die 13 dagen achterliep op de onze). Zo’n 100 bezoekers waren naar het Institute for Global Justice in Den Haag gekomen, waar drie sprekers stilstonden bij zowel die revolutie zelf, als ook bij de hedendaagse verhouding tussen Rusland en het Westen. De moderator voor deze middag was voormalig ambassadeur Adriaan Jacobovits de Szeged.

 

Bij de opening van het symposium legde Patrick van Schie, de directeur van de TeldersStichting, uit waarom onder liberalen de wens bestond een symposium rond ‘100 jaar Oktoberrevolutie’ te organiseren. Per slot van rekening kijken liberalen op die historische gebeurtenis vooral terug als een tragedie. Dat is echter meteen ook een eerste goede reden om stil te staan bij de gebeurtenissen 100 jaar geleden. De revolutie markeerde de totstandkoming van een liberale dystopie: de absolute waardering van het collectief ten koste van het individu, een dictatuur in plaats van een democratie en een planeconomie in plaats van een markteconomie. De opkomst van het communisme en de Koude Oorlog betekenden ook en nieuw tijdperk voor de internationale betrekkingen. En 100 jaar Oktoberrevolutie kan tot slot ook aanleiding zijn om te reflecteren op blijvende invloeden van die gebeurtenissen.

 

De eerste spreker van de middag was de Amerikaanse historicus Sean McMeekin, auteur van het recent verschenen boek The Russian Revolution. A New History. McMeekin is voor zijn boek tal van niet eerder onderzochte archieven ingedoken. Hij ontdekte daar een vergeten of genegeerd element van de Russische Revolutie, namelijk dat Rusland zich destijds midden in de Eerste Wereldoorlog bevond. De Eerste Wereldoorlog was het centrale thema in het politieke en maatschappelijke leven in die tijd. Direct na de val van het communisme in de jaren ’90 van de vorige eeuw vroegen historici zich vooral af of de Oktoberrevolutie een volksopstand of een staatsgreep was geweest, maar McMeekin stelt dat die vraag niet zo relevant was in 1917 zelf. De oorlog speelde een cruciale rol in de manier waarop de Bolsjewieken de macht grepen.

 

De Februarirevolutie eerder dat jaar kan als een ware volksopstand worden gezien. Lange tijd was het die winter te koud geweest om de straat op te gaan, maar toen de temperatuur plotseling steeg, ging het volk naar buiten. McMeekin vertelde dat de protesten zelfs voor Lenin als een verrassing kwamen. Hij had nauwelijks voet aan de grond gezet in Rusland, maar hij had wel een duidelijke visie op de oorlog: ‘Turning the armies red’. Hij wilde de oorlog zelf niet bestrijden, maar de strijdkrachten van binnenuit ‘rood’ maken, infiltreren. Het leger had immers de wapens, waarmee de elite vervolgens op de knieën gedwongen moest en kon worden.

 

De bolsjewieken kozen in oktober dat jaar voor een vijandige overname van het leger in plaats van de infiltratie-strategie. De continentale oorlog werd een Russische burgeroorlog, waardoor de Amerikaanse president Wilson ervan overtuigd raakte dat de Britten en de Fransen de oorlog zouden kunnen winnen. Sean McMeekin merkte dan ook op dat de bolsjewieken in feite aan de macht waren gekomen door Rusland over te geven aan de vijand op het continent. Dat is en blijft een ambigu gegeven voor Rusland – ook voor Poetin nog vandaag de dag.

 

De tweede spreker van de middag was Koert Debeuf, directeur van The Tahrir Institute for Middle East Policy (TIMEP) Europe. Hij besprak de banden tussen Rusland en het Midden Oosten. Historisch gezien zijn die banden relatief zwak. De Sovjet Unie had aanvankelijk geen banden van enige betekenis met het Midden Oosten onderhouden. Dat veranderde ingrijpend na de machtsgreep van de socialist Gamal Abdel Nasser in Egypte en het Arabisch socialisme in de jaren ’60 van de vorige eeuw een feit werd. Egypte werd een belangrijke vriend van Moskou. De Arabisch Socialistische Ba’ath partij vestigde zich in het hart van het Midden Oosten, in Irak, Syrië en Egypte. Deze landen kregen hun wapens van de Russen en het leger werd in de Sovjet Unie getraind. Tot op de dag van vandaag, zo merkte Debeuf op, spreken veel generaals in Syrië en Irak nog Russisch.

 

Met de Camp Davidakkoorden tussen Egypte en Israël veranderde Egypte van positie: het land verruilde de Sovjet-kant voor de zijde van de Verenigde Staten, dat Egypte geld voor wapens aanbood. Iran deed toen het omgekeerde en verliet de zijde van de VS voor die van de Russen.

 

Koert Debeuf vertelde dat ook tegenwoordig de belangen en de invloed van Rusland in het Midden Oosten zwak en weinig specifiek zijn. Het buitenlands beleid van Rusland wordt volgens hem gekenmerkt door een post-imperiaal complex en frustratie jegens het Westen. Poetin probeert de status van Rusland als oude grootmacht te herstellen en is uit op een nieuw soort vredesverdrag, dat de verhoudingen in de wereld, in Europa, opnieuw vastlegt. De Russen menen ook dat de NAVO het mandaat van de Russen om de burgers van Benghazi tijdens de ‘Arabische Lente’ in 2011 te beschermen heeft misbruikt om een regimewijziging in Libië te bevorderen. De Russen voelen zich daardoor verraden.

 

Het verzwakken van de NAVO, en het Westen in zijn algemeenheid, is een essentieel element in de buitenlandpolitiek van Poetin, ook ten aanzien van het Midden Oosten. ‘It’s better to be feared than to be loved’. De migrantenstroom van het Midden Oosten naar Europa komt Poetin daarbij goed gelegen: migratie werkt ontwrichtend in Europa. En, zo stelt Debeuf vast, het probleem van deze strategie is dat die werkt. Of het daarom verstandig is dat het Westen zich terugtrekt uit het Midden Oosten, is een prangende vraag waarop Debeuf het antwoord niet paraat heeft.

 

Tony van der Togt, als onderzoeker verbonden aan Instituut Clingendael, ging in zijn inleiding in op het buitenlands en veiligheidsbeleid van Rusland en de uitdagingen daarbij voor de EU en de NAVO. Hij schetste het contrast tussen de relatie Rusland-EU voor en na de crisis in Oekraïne, waarbij de Krim door Rusland in 2014 is ingelijfd. Voor die crisis leek het vooruitzicht te zijn dat Rusland en de EU steeds nauwer gingen samenwerken, niet alleen op economisch vlak, maar ook op het gebied van veiligheid en justitie, en althans in de ogen van de EU, ook op ‘soft power’ vlak zoals mensenrechten en versterking van de democratie. De banden tussen de NAVO en Rusland werden onderhouden in de NATO-Russia Council.

 

Die tijd is voorbij. Rusland heeft zijn koers en discours gewijzigd. Volgens Van der Togt trekt Rusland zich nu terug uit de transitie van een planeconomie naar een markteconomie en is het land ergens halverwege blijven steken. Het is daarnaast, zoals Koert Debeuf ook zei, uit op het herstellen van zijn status van oude grootmacht, onder meer door middel van het bevorderen van een nationaal bewustzijn en traditionele waarden. Daarbij zet Rusland zich graag neer als het ‘ware Europa’, dat in tegenstelling tot West en Midden Europa haar traditionele, christelijke wortels nog niet heeft verloren, maar juist koestert. Tony van der Togt merkte op dat hij het daarom niet eens is met analisten die menen dat er in de verhouding Westen-Rusland tegenwoordig niets meer van de Koude Oorlog is te herkennen, omdat er geen ideologisch verschil meer tussen de twee zijden zou bestaan. In de relatie Rusland-Westen speelt ideologie wel degelijk nog steeds een rol van betekenis.

 

Charlotte Lockefeer-Maas is wetenschappelijk medewerker bij de Teldersstichting

Jouw reactie...