De VVD moet zich niet blindstaren op regeren

De verkiezingsuitslag van maart dit jaar heeft de gekozen partijen in de Tweede Kamer achtergelaten met een uitermate moeilijk op te lossen puzzel. Mathematisch zijn er in deze samenstelling weliswaar nog verschillende combinaties mogelijk, maar die stuiten steeds weer op andere ideologisch onoverkomelijke bezwaren van de verschillende partijen. Wel lijkt het voor de hand te liggen dat de nieuw te vormen regering gaat bestaan uit de VVD, het CDA en D66 met een vierde partij. Het vormen van zo’n coalitie blijkt vooralsnog echter een heidens karwei.

 

Eerst werd het geprobeerd met GroenLinks dat onder leiding van Jesse Klaver een knappe comeback maakte na in 2012 genadeloos afgestraft te zijn door de linkse kiezer. Op het moment van schrijven is deze formatiepoging met Klaver enkele dagen geleden in onderling overleg op een mislukking uitgelopen. Iets wat iedereen die de verkiezingsprogramma’s van de vier onderhandelende partijen had gelezen al van tevoren had kunnen voorspellen. Het valt de onderhandelaars te prijzen dat ze het in elk geval hebben geprobeerd, maar de vraag rest waarom dit geheel maar liefst twee maanden moest duren. Na een week hadden de onderhandelaars ook kunnen inzien dat het thema migratie een onoverbrugbare kloof met zich mee bracht. Vooral ook omdat de VVD en GroenLinks zich op dit onderwerp nadrukkelijk hebben geprofileerd in de campagne, maar dan met een tegenovergesteld standpunt. Hierop concessies doen aan elkaar zou voor beide partijen niet uit te leggen zijn aan de achterbannen. Ook als het gaat om de economie waren er immense verschillen. Daar vallen echter iets gemakkelijker compromissen over te sluiten wanneer de onderhandelaars dat per se hadden gewild. Die uitdrukkelijke wil en noodzaak was niet aanwezig. De onderhandelingen liepen dus stuk. Een teleurstelling voor sommigen, een opluchting voor velen.

 

De formatie zal vermoedelijk nog heel wat maanden in beslag gaan nemen. Er is geen enkele resterende coalitie van vier partijen te vormen waarbij alle deelnemers direct bereid zijn om met elkaar aan tafel te gaan. D66-leider Alexander Pechtold ziet het vormen van een coalitie met daarin verschillende christelijke partijen om voor de hand liggende redenen bijvoorbeeld absoluut niet zitten. Hij praat liever verder met de SP. De socialistische voorman Emile Roemer staat daar echter pertinent niet voor open. Iets wat vanuit zijn positie goed te begrijpen valt, al veroordeelt hij zichzelf en zijn kiezers daarmee voor de zoveelste keer tot jarenlange oppositie. Voor de VVD zou regeren met de SP ook hoogst onwenselijk en eigenlijk ondenkbaar zijn. De kans is groot dat veel VVD’ers dan nog liever met GroenLinks aan tafel waren gebleven. Kortom: een scenario waarbij de VVD en de SP in één coalitie komen te zitten, kunnen we nagenoeg uitsluiten. Op lokaal niveau komt deze combinatie tot tevredenheid van beide partijen overigens wel een aantal keer voor.

 

Wellicht komt dan na verloop van tijd toch de in maart zowat gedecimeerde PvdA weer in beeld. Voor die partij zou deze optie niet eens geheel ondenkbaar hoeven te zijn. Wanneer de SP, GroenLinks en de PvdA alle drie in de oppositie verkeren, kan de partij van Lodewijk Asscher zich de komende jaren amper onderscheiden voor de linkse kiezer. Het is dan nog maar de vraag of de volgende verkiezingen zetelwinst gaan opleveren voor de sociaaldemocraten. Het komende kabinet zal niet drastisch hoeven te bezuinigen en hervormen, dus het gevoerde beleid zal voor de PvdA allemaal iets makkelijker te verkopen zijn aan de eigen achterban en potentiële kiezers. Maar voorlopig lijkt regeren voor Asscher en zijn acht fractiegenoten niet aan de orde. Het wonden likken zal tijd nodig hebben. Niemand kan de partij ongelijk geven wanneer het even aan de zijlijn wil blijven staan.

 

De kaarten liggen na de verkiezingen die inmiddels alweer even achter de rug zijn dus behoorlijk ingewikkeld op tafel. De VVD mag ontzettend blij zijn dat het met afstand weer de grootste partij van Nederland is geworden, maar het maakt de partij zeker niet extreem invloedrijk in de beleidsvorming. Om te regeren zal zaken gedaan moeten worden met verschillende partijen met een uitgesproken linkse of progressieve inslag. Toen er in 2012 met de PvdA geregeerd werd klonk er hier en daar al gemopper, maar de meeste VVD’ers begrepen dat deze combinatie in het landsbelang onvermijdelijk was. Nu de begroting op orde is en de nodige hervormingen zijn doorgevoerd, ligt dat compleet anders. Het formeren van een nieuw kabinet heeft überhaupt geen haast; de staatsschuld neemt af en de schatkist loopt vol. Ook wat dat betreft hebben de VVD en de PvdA de afgelopen jaren prima werk geleverd. Het land kan het best even zonder missionair kabinet stellen. Geen nieuw beleid betekent ook geen nieuwe uitgaven.

Als grootste partij zou het vreemd zijn om niet te gaan regeren. En Mark Rutte zal ongetwijfeld teleurgesteld zijn wanneer het hem niet lukt een derde kabinet dat zijn naam draagt te formeren. Maar tegelijkertijd moet de VVD niet volledig blindstaren op regeringsdeelname.

 

Wanneer de gesprekken tussen het zogenoemde motorblok van VVD, CDA, D66 en een vierde partij blijven stuklopen, moet de VVD niet bang zijn om het initiatief een keer aan iemand anders te laten. De kansen op links zijn allicht nog veel kleiner, maar de VVD moet niet tegen elke prijs gaan regeren. Zeker niet wanneer het gaat om thema’s als migratie en de economie. Voor een groot gedeelte van de achterban was het een opluchting dat de gesprekken met GroenLinks zijn gestopt. En dat is niet zo vreemd.

 

Tegelijkertijd is regeren met de PVV ook allang geen optie meer. Op het gebied van migratie vallen daarmee wellicht betere deals te sluiten dan met een partij als GroenLinks, maar het behoeft weinig uitleg waarom een combinatie met de partij van Geert Wilders niet eens meer het overwegen waard is. Door op belangrijke ‘’rechtse’’ thema’s de poot stijf te houden, kan een deel van de PVV-kiezers wellicht wel teruggewonnen worden voor de VVD. Ook wanneer die kiezers door het categorische uitsluiten van de PVV inzien dat een stem op de PVV een weggegooide stem is. Partijleider Wilders heeft het er zelf naar gemaakt.

 

Laat ‘links’ het maar eens proberen wanneer de onderhandelingen voor de VVD blijven mislukken. De kans van slagen is daarbij bijzonder klein, maar wanneer er wel een links monsterverbond van minstens zes partijen wordt gesmeed, zal de daaruit volgende coalitie vermoedelijk binnen afzienbare tijd vallen. Wanneer er dan weer verkiezingen volgen, kan de VVD oogsten met de boodschap dat het de rug heeft rechtgehouden op belangrijke thema’s als migratie. Veel kiezers die eerst wel en nu niet meer op de VVD stemmen, verwijten de partij weleens dat het te makkelijk concessies doet. Dat is lang niet altijd terecht, maar in deze politieke constellatie ligt in elk geval een mogelijke kans om dat beeld recht te zetten.

 

Bovendien heeft de VVD zelfvertrouwen en overtuiging genoeg om te geloven in een goede afloop van verkiezingen na een linkse coalitie. Na het vierde kabinet Balkenende, dat behoorlijk links en vooral paternalistisch georiënteerd was, werd de VVD niet voor niets voor de eerste keer in de geschiedenis de grootste partij van Nederland. Een beleid van potverteren en nivelleren is iets waar de VVD fel oppositie tegen kan en moet voeren. En wie de jongste verkiezingsuitslag heeft gezien, beseft dat Nederland nu eenmaal geen links land is. Links als geheel kreeg zware klappen te verduren. Zelfs oppositiepartij SP verloor een zetel terwijl directe concurrent PvdA een vrije val maakte. Het herstel van GroenLinks maakte het linkse leed niet ongedaan. Sterker nog: de zetelwinst van GroenLinks viel ten opzichte van de verwachtingen ook tegen.

 

Ook voor de VVD zelf zou een poosje in de oppositie zitten niet bijster veel kwaad kunnen. Iedere bestuurderspartij moet voortdurend uitkijken dat het zichzelf niet kapot regeert. Het is de PvdA en het CDA meermaals overkomen. Waarom zou dit onheil de VVD overslaan nu het al drie keer op rij de grootste partij is geworden en het gevoerde beleid de afgelopen jaren grotendeels heeft gedomineerd? Op dit moment is het zeker niet direct aan de orde, maar mocht er ‘gewoon’ weer een kabinet onder leiding van de VVD komen, dan zou een plek in de oppositie tijdens de parlementaire periode die hier weer op volgt wellicht zelfs te prefereren zijn boven nieuwe regeringsdeelname. Een nieuwe partijleider zou dan de ruimte hebben om de partij een nieuw gezicht te geven waarna de VVD weer op volle sterkte mee kan doen aan toekomstige kabinetten. Niet omdat men de VVD massaal zat zou zijn, maar om te voorkomen dat dat gaat gebeuren.

 

Voorlopig zullen de gesprekken over een nieuwe regering onder leiding van de VVD en Mark Rutte nog wel even voortduren. En als er een voor de partij, de leden en de kiezers bevredigende deal valt te sluiten met een aantal andere partijen, eventueel voor een minderheidskabinet, dan is dat natuurlijk een goede zaak. Continuïteit is belangrijk en Mark Rutte is volgens vrienden en ook veel vijanden een uitstekende minister-president. Bovendien is een liberaal en rechts geluid in tijden van uitgeven in plaats van bezuinigen ook en juist hard nodig. Iedere zichzelf serieus nemende partij gelooft dat haar ideologie in iedere economische cyclus onmisbaar is voor het land. Maar wanneer de ideologische verschillen te groot zijn, moet de VVD niet bang zijn de touwtjes een keer uit handen te geven. Wellicht wordt de partij er alleen maar sterker van.

 

A. R. (Rik) de Jong is student politieke wetenschap in Leiden en schrijft als columnist voor o.a. Jalta.nl. Ook is hij werkzaam als fractiemedewerker voor de VVD Gouda.

Jouw reactie...

    Georg Kellersmann

    8 juni 2017

    Onderhandelingen over de kabinetsformatie.
    Inderdaad, de VVD moet niet willen regeren onder het mom van landsbelang om de idealen van anderen te gaan uitvoeren. Er moet een flinke portie liberale inbreng te herkennen zijn en anti-liberaal dient afwezig te zijn.

    Twee maanden praten met GL, de partij die veruit op de meeste punten diametraal tegenover de VVD staat. En dan toch, zij het schoorvoetend, laten weten dat er iets te bepraten valt. Na een mysterieuze mislukking (ging het echt alleen om het dossier immigratie, er waren nogal wat ander punten ook waarover nauwelijks overeenstemming zou kunnen worden bereikt) en wat zielig aandoende pogingen van een goedwillende mediator bevindt de formatie zich nog steeds in een impasse.
    Als VVD-kiezer zou je denken dat er in 2012 voldoende leergeld werd betaald als het gaat om inleveren omwille van het ‘landsbelang’.

    Een beleidspunt waarover mijns inziens met GL geen redelijke afspraken zijn te maken is het klimaat- en het daaruit voortvloeiende energiebeleid.

    Onder het mom van de ‘wetenschap’ wordt de wereld gehypnotiseerd en gehersenspoeld over het veranderende klimaat en de rampen die daaruit voor de mensheid zullen voortkomen. En dat, terwijl er voldoende aanwijzingen zijn dat er, geïnitieerd door de VN, met de wetenschap een loopje wordt genomen.

    Kiezers die kennis hebben genomen van de tekst van het VVD-Verkiezingsprogramma 2017 hebben in het hoofdstuk Energie en Klimaat het volgende gelezen:

    ‘Nieuwe energiebronnen moeten schoner en duurzamer zijn, de uitstoot
    van CO2 terugdringen en zo de verandering van het klimaat helpen tegengaan. Het is
    bovendien noodzakelijk dat ze betrouwbaar zijn. Want ook als het een dag windstil
    en bewolkt is willen we warm kunnen douchen, het licht aan kunnen doen en onze
    telefoon kunnen opladen. Bovendien moeten we blijven letten op de betaalbaarheid
    van energie, want niemand wil een hogere energierekening’.

    Let wel, dit werd geschreven toen in het kabinet Rutte-II de VVD-minister Kamp er alles aan heeft gedaan om Nederland en het Nederlandse deel van de Noordzee vol te bouwen met windmolens. Windmolens die – tijdens de campagne in 2012 – door Mark Rutte nog tot de categorie ‘idiote dingen’ werden gerekend.
    Nou ja, tijdens een campagne worden er wel meer grappige dingen gezegd, maar toch ook heel ernstig gemeende zoals: (zie boven) ‘want niemand wil een hogere energierekening’.
    Nou, die energierekening wilde minister Kamp inderdaad niet een beetje hoger. Nee hij zorgde ervoor dat die rekening heel erg veel hoger zal worden.

    Verhalen dat – eerder dan verwacht – windenergie concurrerend zal zijn worden nu de wereld in geslingerd gelijk waarheden als koeien. Het is niet de enige leugen die in samenhang met het energiebeleid als afgeleide van het ‘klimaatbeleid’ door de regeringen wereldwijd wordt opgevoerd. Windenergie kan door de onbetrouwbare beschikbaarheid nimmer concurrerend worden.

    In de zendtijd voor politieke partijen (op kosten van de belastingbetalers) worden momenteel door de partij waarmee – als vierde – in een mogelijke coalitie werd onderhandeld, TV-kijkers (belastingbetalers dus) geïndoctrineerd met de gedachte dat wij met z’n allen ‘giftige’ broeikasgassen uitstoten.
    En dat toont aan hoe ver politici durven te gaan in het gebruik van leugens om de bevolking van een nog steeds zeer onzekere antropogene invloed op het klimaat te overtuigen.
    Hoewel in iets gematigder termen heeft in het verkiezingsprogramma ook de VVD aangetoond zich te laten verleiden om aan het verbreiden van die misleidende gedachte deel te nemen.

    Wat er nu wereldwijd aan de hand is zal te gelegener tijd de grootste fake blijken te zijn waaraan de politiek zich heeft schuldig gemaakt. Het is niet zo moeilijk om aan te tonen dat het een onbezonnen initiatief is geweest om voor de oorzaak van een geconstateerde geleidelijke opwarming van de aarde – bedoeld wordt het onderste deel van de atmosfeer – uitsluitend naar de activiteiten van de mens te wijzen.
    De meest voor de hand liggende aanwijzing daarvoor is dat ook lang voordat er op deze planeet sprake was van menselijke activiteiten – zelfs aanzienlijke – fluctuaties zijn opgetreden van de temperatuur. Ook, dat er binnen de grote fluctuaties kleinere zijn geweest, zoals bekend is van wat wij noemen de ‘kleine ijstijd’.

    Er zijn vele factoren van invloed op de temperatuur in de luchtlaag waarin wij mensen kunnen leven en van niet al die factoren is de mate van invloed bekend. De allerbelangrijkste invloed komt – hoe kan het anders – van onze zon. Weliswaar wordt de instraling door de zon beschouwd als zijnde een constante, maar daarover bestaat geen zekerheid, omdat de totale uitstraling van de zon niet constant is. De afstand van de aarde tot de zon is ook niet zo constant als in het algemeen wordt gedacht. De fluctuaties van die afstand kunnen over langere perioden gezien belangrijk zijn en die worden vooral veroorzaakt door de grote buitenplaneten.
    Een factor waarvan nog maar erg weinig bekend is wordt mogelijk gevormd door het aardmagnetisme, dat op zijn beurt ontstaat als gevolg van de zich verplaatsende magmastromen tussen de aardkern en de aardschil. Een gevolg van de verplaatsing van die stromen beweegt b.v. de magnetische noordpool zich voortdurend en momenteel van het vasteland van Noord Canada af.

    Alle broeikasgassen tezamen, waarvan de gewone waterdamp een meer dan twee keer zo grote invloed heeft als de vermaledijde kooldioxide veroorzaken het broeikaseffect. Daarvoor werd al eind 19de eeuw een theoretische verklaring gevonden.
    Zonder dat broeikaseffect zouden wij als mensen niet op deze planeet kunnen leven. Om de indruk weg te nemen dat het broeikaseffect op zich schadelijk zou zijn wordt het door ‘de wetenschap’ tegenwoordig het ‘versterkte broeikaseffect’ genoemd dat verantwoordelijk is voor de ongewenste opwarming. Anders gezegd, het is de kooldioxide die de mens in de atmosfeer brengt die de opwarming veroorzaakt. Alle andere factoren tezamen worden door deze benadering als een constante beschouwd en dat is wetenschappelijk gezien natuurlijk baarlijke nonsens.

    Het schermen met ‘wetenschappers’ die er allemaal van overtuigd zijn dat de mensheid bezig is het klimaat dramatisch te veranderen is ronduit belachelijk. Niet de minsten van die wetenschappers hebben inmiddels afstand genomen van deze door het IPPC onderhouden hype. Helaas hebben bepaalde ‘stakeholders’ besloten om op iedereen, die op serieus wetenschappelijk werk gebaseerde twijfels verkondigt aan de juistheid van de wereldwijde politieke klimaat-actie, karaktermoord te plegen en daarmee monddood te maken.

    Er zijn echter twee strohalmen waaraan de echte wetenschappers zich kunnen vasthouden.
    De eerste is een oud Hollandse waarheid: al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel.
    De tweede is het sprookje dat Hans Christian Andersen 180 jaar geleden schreef over de nieuwe kleren van de keizer. Wie de bedrieglijke kleermakers niet geloofde moest wel een erg dom mens zijn en dus was de keizer en alle hovelingen vol lof over die nieuwe kleren, tot een kind de waarheid aan het licht bracht. Het waren helemaal geen kleren die de keizer droeg. ‘De keizer loopt in z’n blote gat’. Met een soortgelijke anticlimax zal ook de klimaatgekte eindigen.

    Er is echter één ding dat wel van belang is en dat is dat de eindigheid van de fossiele brandstoffen de mensheid zal dwingen alternatieven te zoeken en aan te wenden. Dat lijkt het enige steekhoudende argument en wordt gelukkig ook nog genoemd in het verkiezingsprogramma van de VVD. De thoriumreactor wordt wel genoemd, maar over dat alternatief wordt hardnekkig gezwegen. Wellicht is een belofte over die zwijgzaamheid zelfs onderdeel van het bejubelde Energieakkoord.

    Georg Kellersmann

    30 mei 2017

    Inderdaad, het is zoals het hier door Rik de Jong staat opgeschreven: ‘De verkiezingsuitslag van maart dit jaar heeft de gekozen partijen in de Tweede Kamer achtergelaten met een uitermate moeilijk op te lossen puzzel’.
    Mathematisch gezien was de uitslag van de vorige verkiezingen in 2012 heel veel eenvoudiger, want met slechts twee partijen kon binnen de kortst mogelijke tijd een kabinet worden gevormd. Dat was dan wel een kabinet waarvan het merendeel van hen die op deze partijen hadden gestemd van gruwden, maar wie daarop let is in de Nederlandse poltiek een kniesoor, want de taak van de kiezer is na de parlements verkiezingen voltooid.
    Dat is best jammer voor die kiezers die – en dat weten ze best – uitsluitend de volksvertegenwoordiging mogen kiezen, maar toch met het idee leven dat ze als kiezer ook inbreng hebben op de samenstelling van een nieuw kabinet. Kiezers rekenen op basis van de verkiezingsprogramma’s en – meer nog – op basis van wat in de campagne werd beloofd op het beleid dat hun aantrok. Als een coalitie moet worden gevormd door partijen die iedeologisch ver van elkaar verwijderd zijn dan komt er van hun meest kenmerkende prioriteiten niets in het regeerakkoord.
    De teleurstelling van de kiezers is natuurlijk maar een enkel facet van het feitelijke falen van het systeem waarmee wij als Nederlandse bevolking de parlementaire democratie willen doen functioneren.
    Een ander facet van dit systeem is de veelgenoemde verwijding van de kloof tussen ‘de politiek’ en ‘de burger’. Het vreemde is dat er – al sinds de Franse Revolutie – nog steeds wordt gesproken over ‘links’ en ‘rechts’ in de politiek. Alsof die politiek slechts één dimensie kent, de rechte lijn, waarop je hetzij links hetzij rechts van het midden kan staan. En de uitleg van wat er dan met links en rechts exact wordt bedoeld hangt af van wie die uitleg geeft. Het is natuurlijk best wervend als ‘links’ wordt uitgelegd als het opkomen voor de zwakkeren. In de dagelijkse praktijk van het landsbestuur blijkt echter dat ‘de politiek’ meer dimensies heeft dan links en rechts. De politiek is een structuur met vele sub- en nevenstructuren en te gecompliceerd om in een enkelvoudige dimensie te beschrijven.
    Er is een tijd geweest dat de Nederlandse politiek werd gekenmerkt door het bestaan van een gering aantal tamelijk grote politieke partijen, waarbinnen delen van die gecompliceerde structuur te herkennen waren. Nimmer behaalde slechts één enkele partij een absolute meerderheid in het parlement en daardoor is in dit land de cultuur van de coalities gegroeid. Naast de grotere partijen bestonden er ook nogal wat kleinere groeperingen, maar in de coalities speelden die lange tijd slechts een ondergeschikte rol, namelijk die van de minderheden die zich, zoals het behoort, binnen de democratie konden laten horen.
    Het heeft een aantal generaties geduurd, maar de communicatie tussen de politiek en de burger die lange tijd als éénrichtingverkeer bestond is door de ontwikkeling van de technologieën waarvan de media zich kunnen bedienen veranderd in een netwerk, of beter, een wirwar van netwerken. De burger die zich – als het om politiek ging – uitsluitend in de vergaderingen van de partijen kon laten horen, laat zich nu via de ‘sociale netwerken’ niet meer onbetuigd. Het lijkt niet moeilijk te begrijpen dat de opgetreden versnippering van het politieke landschap daar een gevolg van is.
    Waar voorheen twee of drie partijen zonder veel moeite de ‘overlap’ in hun programma’s konden vaststellen is dat nu veel ingewikkelder geworden.
    Het is wel erg gemakkelijk om de fractievoorzitters – in hun rol van de politieke leiders – ervan te betichten dat ze onvoldoende flexibiliteit aan de dag leggen in de ‘onderhandelingen’. En jawel, onderhandelingen zijn het en hoe meer deelnemers er zijn deste moeilijker wordt het om resultaten te bereiken waarmee ieder kan instemmen. Het resultaat zal zijn dat geen van de coalitiepartners zijn belangrijkste prioriteiten in het ‘regeerakkoord’ verwerkt zal zien. Het wordt een cocktail zonder kraak of smaak, erger, een regering zonder regeerkracht.
    Telegraaf-columniste Annemarie van Gaal schrijft in haar column van maandag 29 mei dat ze het wel zat is om alle speculaties aan te horen over de stand van zaken bij de ‘formatie’. Zij ziet als oplossing iets in het benoemen van een ‘superminister’, een minister boven alle andere ministers, met de speciale opdracht om ervoor te zorgen dat een bepaald thema niet niet verzandt in het bureaucratisch geharrewar dat een gevolg is van de ‘eigen politieke opdracht’ van vakministers.
    Thema’s zouden dan kunnen zijn ‘vereenvoudiging belastingwetgeving’ of ‘vermindering regelgeving’. De vraag wordt dan natuurlijk wie beslist welk thema de hoogste prioriteit moet krijgen.
    Al vaker heb ik gepleit voor een wijziging van het systeem. Geef de burger niet alleen maar de indruk dat hij/zij invloed heeft op het te vormen kabinet, geef de burger die invloed.
    In de bestaande situatie maakt de Tweede Kamer sporadisch gebruik van het recht van initiatief. Naar mijn mening dient daar verandering in te komen. Onze Tweede Kamer wordt binnen de trias politica beschouwd als de ‘wetgevende macht’, alleen al doordat de Kamer een wetsvoorstel aanneemt dan wel afwijst. De initiatieven komen vrijwel in alle gevallen vanuit het kabinet op basis van het regeerakkoord.
    De formatieproblematiek is het gevolg van de dubbelfunctie van de Tweede Kamer. De Tweede Kamer is enerzijds verantwoordelijk is voor het regeerakkoord en anderzijds belast met de controle op de regering. Het beginsel van dualiteit komt daardoor onder druk te staan.
    Mijns inziens zou het tot de taak van de Tweede Kamer dienen te behoren om direct na te zijn gekozen te beslissen over een lijst van initiatief-wetsontwerpen. Omdat het kabinet binnen de departementen beschikt over de capaciteit en de deskundigheid voor het opstellen van de wetteksten geeft de Kamer dan opdracht aan het kabinet tot uitwerking van de initiatieven.
    In de periode volgend op de Kamerverkiezing volgt de verkiezing van de Premier. De wijze van kandidaatstelling is van groot belang. Denkbaar is dat elke in de Tweede Kamer gekozen partij een kandidaat stelt. Ook zou een orgaan als de SER die bevoegdheid kunnen krijgen. Niet ondenkbaar hoeft het te zijn, dat personen met grote bestuurlijke ervaring zich op persoonlijke titel kandidaat stellen. Idealiter met niet een zojuist gekozen kamerlid kandidaat premier worden gesteld.
    Beslissend zal zijn de uitslag van de verkiezing, waarbij aan een verkiezing in twee rondes kan worden gedacht.
    Na te zijn gekozen maakt de premier een gespreksronde met de fracievoorzitters en heeft dan verder de vrije hand in het samenstellen van zijn kabinet.
    De tijdruimte tussen de verkiezingen van Tweede Kamer en Premier zou drie maanden kunnen zijn.
    Door de overbodigheid van een regeerakkoord zullen de fracties in de Tweede Kamer elkaar niet meer in de tang hebben.