Column: Onze constitutie moet worden gedragen door de kiezers

Zowel de decennialang gevoerde schoolstrijd als de kiesrechtstrijd zou ermee worden beslecht. In een befaamde uitruil voorafgaand aan de verkiezingen hadden de liberalen, vrijzinnig-democraten en sociaal-democraten namelijk het algemeen mannenkiesrecht weten binnen te halen en de confessionelen bekostiging van het bijzonder onderwijs (op religieuze grondslag) op dezelfde voet als het openbaar onderwijs. Geen kleinigheden. Toch waren de kiezers niet tot een gang naar de stembus te porren. De opkomst bedroeg een schamele 31,9% van de stemgerechtigden.

 

De thuisblijvers waren niet gek, en voor een groot deel waarschijnlijk evenmin onverschillig. De zeven voornaamste partijen die de deal – bekend geworden als de Pacificatie – hadden gesloten waren overeengekomen elkaars kandidaten niet te bestrijden. Nederland kende in 1917 nog een districtenstelsel – de Pacificatie omvatte tevens de overschakeling op een stelsel van evenredige vertegenwoordiging – en de ‘laat-zitten-wat-zit’-afspraak was erop gericht dat in elk district het zittende Kamerlid kon terugkeren.

 

Waarom dan nog verkiezingen? Die vloeiden voort uit de Grondwet. Deze bepaalde dat een grondwetswijziging, die voor de Pacificatie vereist was, tijdens twee lezingen in beide Kamers van het parlement diende te worden goedgekeurd, met tussen beide lezingen een ontbinding van het parlement en verkiezingen. Thorbecke wilde er in 1848 namelijk voor zorgen dat de kiezers iets over een grondwetswijziging te zeggen zouden krijgen.

 

De zeven bij de ‘laat-zitten-wat-zit’-afspraak betrokken partijen, dat waren alle (middel)grote partijen uit die tijd, wilden hun deal dus niet laten ‘bederven’ door de kiezers. In vijftig van de honderd districten bleef een tegenkandidaat inderdaad uit. In de andere vijftig moest er toch worden gestemd omdat de communisten, een paar splinterpartijen en vooral het comité ATAG (Actie Tegen de Aanhangige Grondwetsherziening), geen bij alle bij de deal betrokken, daar wel een (tegen)kandidaat stelden.

 

De grote man achter de ATAG was de oude staatsman Samuel van Houten (die als liberaal Kamerlid in 1874 voor het Kinderwetje had gezorgd). Hij was ziedend over de streek die de leiding van de politieke partijen – ‘een College van Regenten’ – de kiezers leverden. Hij wierp inhoudelijke bezwaren tegen aspecten van de grondwetsherziening op maar vond het ook schandelijk dat het ‘College van Regenten’ de ordentelijke procedure voor een grondwetsherziening door een ‘ukaze’ tot een dode letter maakte.

 

Eigenlijk is het een wonder dat tegenover de goed georganiseerde zeven partijen  de tegenkandidaten, op de communisten na allemaal nieuwkomers, bij elkaar nog ruim 24% van de uitgebrachte stemmen wisten te behalen. Zelf kwam Van Houten in Groningen uit op bijna 32% tegenover het zittende vrijzinnig-democratische Kamerlid. Voor de samenstelling van de Tweede Kamer maakte het niet uit: geen van de tegenkandidaten haalde een zetel en de Kamer bleef dus volkomen ongewijzigd. De zeven partijen konden de Pacificatie daarna gewoon afhameren.

 

Van Houten had zich terecht boos gemaakt dat de politieke partijen op deze manier de kiezers niet naar de letter van de wet maar wel feitelijk buitenspel zetten. Maar in 1917 deden de partijen het tenminste nog openlijk. Nadien zijn alle grondwetswijzigingen richting de kiezers slinks afgehandeld, door de tussen beide ‘lezingen’ vereiste speciale verkiezingen te laten samenvallen met de reguliere verkiezingen. Die gaan dan steeds over van alles en nog wat, behalve over de op handen zijnde grondwetswijziging.

 

Aan de intentie van Thorbecke om geen grondwetswijziging te laten plaatsvinden zonder dat de kiezers er een uitspraak over hadden gedaan, wordt dus nu al een eeuw getornd. Dat ligt ook wel een beetje aan Thorbecke zelf. Zijn bedoelingen waren uitstekend, de uitvoering minder. Het is immers niet erg gelukkig om met dezelfde verkiezingen zowel een uitspraak over een grondwetsherziening als een parlement voor de lopende zaken van vier jaar te willen verkrijgen.

 

Het zeker stellen dat de kiezers met een wijziging in de Grondwet instemmen kan natuurlijk veel eenvoudiger: door er een verplicht en bindend referendum over te houden. Op die manier kunnen de kiezers zich zo zuiver mogelijk over de zaak uitspreken. Stemmen zij ‘ja’ dan reflecteert de nieuwe Grondwet kennelijk wat in de meerderheid van de bevolking leeft. Stemmen zij ‘nee’ dan is er nog geen man overboord maar blijft de Grondwet zoals hij was. Is dat erg? Nee, de constitutie moet juist een stabiel fundament van ons staatsbestel zijn; geen tollend weerhaantje.

 

Patrick van Schie is historicus en directeur van de TeldersStichting, de liberale denktank van Nederland gelieerd aan de VVD. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.

Jouw reactie...

    Georg Kellersmann

    22 september 2017

    Een prima artikel van Patrick van Schie. De onderhandelende politici zijn ook nu weer doende de kiezers buiten spel te zetten, met als enige doel een kabinet te vormen dat op een meerderheid in de Tweede Kamer steunt. Het lijkt inderdaad veel op wat er zich in 1917 heeft afgespeeld. Niet helemaal hetzelfde want dit keer is er naar ik meen geen grondwetswijziging in de onderhandeling betrokken. Geen voorstander zijnde van het referendum vind ik in het voorstel van Patrick toch iets dat aandacht behoeft. Hij schrijft dat er voor een grondwetswijziging ‘een verplicht en bindend referendum’ gehouden zou kunnen worden. Als de verplichting inderdaad opgelegd zou kunnen worden dan is een grote opkomst verzkerd. Maar daar zit nauurlijk het zwakke punt. Al wat langer geleden kenden we in Nederland de opkomstplicht voor de verkiezingen. Dat had weinig effect. De sanctie op het niet verschijnen (boete) werd nooit toegepast en omdat daardoor de wet wel erg makkelijk werd overtreden is de opkomstverplichting opgeheven. Lage opkomsten bij verkiezingen zijn niet terug te voeren op ‘de kiezers zijn gek’ of ‘kiezers zijn niet geïnteresseerd’ dan wel ‘kiezers zijn te dom’. Het meest waarschijnlijk is dat kiezers wel geïnteresseerd zijn, maar denken in de trant van ‘die ene stem van mij heeft maar zo weinig invloed’. Vooral nu tegenwoordig de kiezer van tevoren wordt bestookt met resultaten van peilingen wordt zo’n indruk makkelijk bevestigd. De echte oorzaak zit natuurlijk veel dieper. Om een coalitie te vormen moeten onderhandelaars van partijen ‘offers’ brengen. En als dan zulke offers juist een motiverende verkiezingsbelofte ongedaan maakt dan is de motivatie om te gaan stemmen op z’n minst aangetast. Hoe meer partijen, hoe meer offers. Ons systeem van regeringsvorming, niet berustend op wetgeving maar op traditie, ondergraaft de democratie. Het zijn de bindende afspraken, de vereiste fractiediscipline, die de democratie tot en lachertje maken. Individuele volksvertegenwoordigers hebben – terwijl ze wetgever zijn – nog maar erg weinig inbreng. Onderhandelingen zoals die nu gaande zijn maken strakke handhaving van de fractiediscipline meer dan ooit van levensbelang voor een kabinet en dodelijk voor de democratie. Na de verkiezingen van maart 2017 was er keus uit twee mogelijkheden. Een minderheidskabinet van één enkele partij of nieuwe verkiezingen. Als er een minderheidskabinet zit, dan kunnen de kamerleden doen waar ze rechtens voor zijn gekozen en dat is voorstellen voor intiatiefwetten indienen. Dan komen er echte debatten in de volksvertegenwoordiging. Debatten die straks gehouden worden met het komende kabinet zijn schijnvertoningen.
    Jawel, de enige goede reden om een referendum te houden is inderdaad een grondwetswijziging. De kiezer die vóór zo’n wijziging is moet naar de stembus gaan en Ja stemmen. Als dan meer dan de helft van de stemgerechtigden Ja stemmen, dan komt de wijziging er, anders niet. Nee-stemmers hoeven dus niet naar de stembus. Dat kan natuurlijk ook worden omgekeerd. Wie tegen is gaat Nee stemmen. Als meer dan de helft van de stemgerechtigden Nee stemt, dan gaat de wijziging niet door.
    De slimmigheid van politici om een grondwetswijziging erdoor te krijgen zonder dat de kiezers zich er sterk van bewust zijn is lijkt mij niet makkelijk te verhinderen. Wat er door Thorbecke is ingebracht zou in het geval van ‘tussentijdse’ verkiezingen een kortere zittingsperiode van de Tweede Kamer betekenen. Een mogelijkheid zou zijn de normale verkiezingen te combineren met een referendum. Dus twee stembiljetten. Het gebruikelijke met de kieslijsten en een referendumbiljet, voor of tegen grondwetswijziging. Twee vliegen in één klap.

    Laurens Wachters

    22 september 2017

    Ik vind dit eigenlijk wel een goed idee. Maar staan we niet voor de moeilijkheid dat om zoiets in te voeren er eerst een grondwetswijziging nodig is? Of zouden beide zaken in één keer, d.w.z. met één referendum, afgehandeld kunnen worden?

      Patrick van Schie

      4 oktober 2017

      Het is waar, wat Laurens schrijft: om dit in te voeren zou je inderdaad de Grondwet moeten wijzigen. Daar zou dan dus een extra artikel in dienen te komen waarin deze procedure wordt vastgelegd.