Column: Is levenslang écht levenslang? En wie bepaalt dat?

Afgelopen dinsdag deed de Hoge Raad der Nederlanden een interessante en belangrijke uitspraak. De levenslange gevangenisstraf mag, mits er een mogelijkheid van gratieverlening na 25 jaar bestaat, gewoon worden opgelegd en is niet in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Over de vraag of levenslang écht levenslang zou blijven was onzekerheid ontstaan nadat ‘s lands hoogste rechter in juli 2016 had geoordeeld dat de levenslange gevangenisstraf op dat moment in strijd was met het Straatsburgse mensenrechtenverdrag en om die reden eerst moest worden aangepast. De uitspraak van de Hoge Raad wordt uitgelegd als een bevestiging van het credo ‘levenslang is levenslang’. Maar is dat wel zo? En behoort een rechter daar wel over te gaan?

 

De bepaling waarmee de levenslange vrijheidsstraf in strijd werd geacht is artikel 3 EVRM, waarin is vastgelegd dat niemand mag worden onderworpen aan ’vernederende’ of ‘onmenselijke’ straffen. Op basis van dit ietwat vage principe bepaalde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in 2008 dat iedere levenslange vrijheidsstraf ‘de jure’ en ‘de facto’ verkort moet kunnen worden. Oftewel: om aan het EVRM te voldoen, moet er zowel juridisch als in de praktijk een perspectief op vervroegde vrijlating zijn. De al langer bestaande mogelijkheid om gratie te vragen aan de Koning voldoet aan deze eis kennelijk niet, waarschijnlijk omdat er in de praktijk bijna nooit gratie wordt verleend.

 

Toenmalig staatssecretaris van justitie Klaas Dijkhoff ontkwam er daarom niet aan de eisen van het EHRM in te willigen en met een nieuwe, flexibeler regeling te komen. De nu de door de Hoge Raad goedgekeurde toetsingsmogelijkheid is daarvan het resultaat. Deze behelst dat iedere levenslang gestrafte na 25 jaar detentie een gratieverzoek moet kunnen indienen dat vervolgens aan een speciaal daarvoor ingestelde commissie ter beoordeling wordt voorgelegd. De minister van justitie moet vervolgens beslissen of zo’n gratieverzoek wordt gehonoreerd.

 

Met de bekende strafrechtadvocaat Wim Anker, die enkele levenslang gestraften bijstaat, zou men kunnen concluderen dat er in principe niets aan de levenslange gevangenisstraf verandert, aangezien het nog steeds de minister is die de knoop moet doorhakken. En die zal, zo lijkt de redenering te luiden, niet snel tot de verlening van gratie overgaan. Anker had daarom liever gezien dat een onafhankelijke rechter over de verzoeken tot herbeoordeling zou beslissen en noemt de nieuwe regeling van Dijkhoff dan ook “cosmetisch”. Waarom niet de minister maar een rechter de beslissing moet nemen zegt hij niet.

 

Afgezien van rechterlijke dwalingen of andere omstandigheden die tot de aanpassing van een gerechtelijk oordeel nopen, is herbeoordeling van een straf door de rechter in principe niet aan de orde. Na uitspraak in een strafzaak ligt de zwaarte van de straf immers vast en dient deze, om zowel de vergelding als de bescherming van de samenleving te verzekeren, niet zomaar te worden verkort of gewijzigd. De samenleving moet er immers van op aan kunnen dat gevaarlijke misdadigers – in het geval van levenslang gestraften zijn dat meestal (meervoudige) moordenaars – met zekerheid voor bepaalde tijd vast zitten en niet (vroegtijdig) vrijkomen. Dat de Europese rechter nu vindt dat dit voor levenslang niet geldt omdat dit volgens zijn interpretatie van het betrekkelijk vage artikel 3 EVRM ‘vernederend’ of ‘onmenselijk’ zou zijn, doet aan het belang van deze instrumentele functie van het strafrecht niets af.

 

Bovendien lijkt de Straatsburgse rechter, daarin braaf gevolgd door de Hoge Raad, op de stoel van de wetgever te gaan zitten door de bedoeling van het mensenrechtenverdrag sterk te concretiseren. Waar levenslang voorheen daadwerkelijk levenslang was – zoals de wetgever het nadrukkelijk heeft beoogd – is deze bedoeling nu omzeild op last van een weliswaar onafhankelijke, maar ook ongekozen en nota bene supranationale, rechter. Een verstoring van de trias politica lijkt daarmee een feit.

 

Als we per slot van rekening ook advocaat Anker zouden volgen en de rechter niet alleen de toetsingsmogelijkheid laten afdwingen, maar ook over de toekenning daarvan laten beslissen, is het hek helemaal van de dam. De wetgever is dan tot twee keer toe gepasseerd in haar exclusieve opdracht om de inhoud van de strafwet (en de uitvoering daarvan) te bepalen. Om dit euvel te voorkomen dient het EHRM zich terughoudender op te stellen bij het interpreteren van vage bepalingen en is het Hoge Raad geraden deze interpretaties niet al te gemakkelijk over te nemen.

 

Bovendien zouden de discussie en de uiteindelijke beslissing over de ‘menselijkheid’ van een levenslange gevangenisstraf zich in het parlement moet afspelen en niet in een (supranationale) rechtszaal. In een democratische rechtsstaat behoort de wet immers het product te zijn van democratische besluitvorming en past de rechter die wet slechts toe. Daarbij is interpretatie soms onvermijdelijk, maar is terughoudendheid te verkiezen boven assertiviteit.

 

Jip Stam is politicoloog, student rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden en deeltijdmedewerker van de Teldersstichting.

Jouw reactie...

    Ronald Weilers

    23 december 2017

    Inderdaad; de wetgever zou zo langzamerhand eens een pittig gesprek met de toepassende rechtelijke macht moeten hebben en de bekende piketpaaltjes uitzetten. Het lijkt minder te worden, maar politieke voorkeuren sijpelen nog te vaak door in de rechtelijke uitspraken.