Column: Hoe ver strekt ministeriële verantwoordelijkheid?

Minister van Defensie Jeanine Hennis heeft de ministeriële verantwoordelijkheid voor het noodlottige ongeval in Mali genomen. Zij verdedigde zich eerst keurig in de Kamer tegen de kritiek, en kondigde daarna aan af te treden. Haar politieke heengaan verliep langs de chique weg; zij vertrok met opgeheven hoofd.

 

Toch schuurt er iets. Zou de minister even hard door de Kamerleden onder vuur zijn genomen als zij niet gold als een van de mogelijke opvolgers te zijner tijd van premier Mark Rutte? Het gedoe in de Kamer had toch wel veel weg van een ‘actie beschadiging toekomstige lijsttrekker VVD’. En hoewel er geen directe oorzaak is tussen de bezuinigingen en het ongeval in Mali, loopt de Defensie-organisatie wel op krukken door jarenlange bezuinigingen onder druk van de Kamer, nogal eens uitgeoefend door dezelfde Kamerleden die nu zo’n ophef over het Mali-incident maakten. Jeanine Hennis heeft als minister ten minste de ommekeer te weeg weten te brengen voor wat betreft de financiële ruimte, ook al is dit voor een serieuze inzetbare krijgsmacht nog lang niet genoeg.

 

De hoofdvraag is: wat betekent ministeriële verantwoordelijkheid eigenlijk? Die is in de negentiende eeuw ingevoerd om de koning, en vervolgens ook het ambtenarenapparaat qua macht aan banden te leggen. In een tijd dat een departement tien of twintig ambtenaren telde. Een minister kon overzien wat er op (toen nog) zijn departement zoal gebeurde. Die tijd ligt ver achter ons. In de mammoet-organisaties die departementen, en ondanks de bezuinigingen toch ook de krijgsmacht, tegenwoordig zijn, kan een minister niet alles weten, al zou hij of zij 18 uur per dag werken. Waar mensen werken gaan er dingen mis. Natuurlijk moet dit zoveel mogelijk worden voorkomen, maar het is een illusie te denken dat ernstige of zelfs fatale fouten ooit helemaal uitgebannen kunnen worden.

 

Nog veel vreemder is om te verlangen, zoals diverse Kamerleden en de militaire vakbonden deden, dat de krijgsmacht alleen mag worden ingezet als het in een veilige omgeving is. Het wezen van een krijgsmacht is juist dat hij kan worden ingezet in een (extreem) onveilige omgeving, om er meer veiligheid te brengen. Wie wil werken in een veilige omgeving, heeft in de krijgsmacht niets te zoeken. Kamerleden die veiligheid voor de manschappen bovenaan zetten, geven daarmee te kennen niets van defensie-vraagstukken te begrijpen.

 

Een en ander betekent niet dat het leerstuk der ministeriële verantwoordelijkheid dient te worden losgelaten. Er moet een politiek aanspreekbare verantwoordelijke zijn om te voorkomen dat ambtelijke macht ongrijpbaar wordt. En ministers moeten geen pluche-plakkers zijn. Maar ministeriële verantwoordelijkheid dragen wordt nu te automatisch opgevat als aftreden.
Zeker als er organisatorisch zaken misgaan waar de minister onmogelijk persoonlijk iets aan heeft kunnen doen, zou de minister meer gelegenheid moeten krijgen intern op te treden en zelf verbeteringen aan te brengen. Pas indien de minister nalatig is geweest dan wel indien zijn of haar politieke keuzes verkeerd zijn gebleken zou aftreden als de juiste invulling van ministeriële verantwoordelijkheid aan de orde moeten komen.

 

Een goed voorbeeld daarvan was het drama van Srebrenica. Toenmalig minister van Defensie Joris Voorhoeve was daarvoor niet enkel als bewindsman verantwoordelijk, maar had al voordien voor zogenoemde ‘safe havens’ in Bosnië-Herzegovina gepleit in weerwil van de terechte publieke waarschuwingen van de toenmalige chef-defensiestaf Van der Vlis dat het bieden van zulke ‘veilige havens’ in oorlogsgebied onmogelijk is. De politiek, Voorhoeve voorop, wilde van Van der Vlis’ waarschuwingen niet weten, met rampzalige gevolgen. Voorhoeve bleef destijds zitten, hoewel het drama van Srebrenica direct op de door hem voorgestane politiek viel terug te voeren. Hennis is nu afgetreden vanwege een incident dat, hoe ernstig ook voor de betrokkenen, onmogelijk tot haar uitlatingen of handelen is te herleiden. Het omgekeerde was juister en bevredigender geweest.

 

Patrick van Schie is historicus en directeur van de Teldersstichting.

Jouw reactie...

    Ronald Weilers

    13 oktober 2017

    Het ongeluk kwam, begin juli vorig jaar, breeduit in de media. De minister was dus al meer dan een jaar bekend met deze zaak. Vanaf dat moment ben je verantwoordelijk voor een juiste afhandeling. Wellicht is zij onjuist geïnformeerd en heeft de uitleg aanvaard, maar bij uitkomen van het vernietigende rapport bleek wat werkelijk de oorzaak was en had de minister op z’n minst het opperbevel moeten schorsen. De top van het leger wist; a: niet voldoende van de oorzaak, dus incapabel, of b: heeft de minister bewust onjuist gerapporteerd, dus volkomen onacceptabel.

    Georg Kellersmann

    6 oktober 2017

    Heel goed, deze beschouwing over de ministeriële verantwoordelijkheid. Wat we hebben kunnen horen en zien van het ‘debat’ in de Tweede Kamer was een schertsvertoning, want de veroordeling van Jeanine Hennis-Plasschaert stond tevoren al vast. De media hebben daar het hunne aan bijgedragen door gesproken en geschreven woord. En last not least de Onderzoeksraad voor Veiligheid die aan het slot van een gedetailleerd rapport concludeert:
    ‘Veiligheidscultuur en veiligheidsbewustzijn vormen belangrijke pijlers voor een veilige defensieorganisatie, zowel in Nederland als daarbuiten. De minister van Defensie draagt hiervoor de eindverantwoordelijkheid.’
    De OVV heeft daarmee een duit in het zakje gedaan opdat de minister zou hangen. Zelfs het gebruikelijke bijvoegelijk naamwoord ‘politieke’ bij verantwoordelijkheid is hier doelbewust weggelaten. En dat, terwijl uit de tekst op een enkele plaats kan worden opgemaakt dat de minister (de top van het Departement) niet op de hoogte was van al die cruciale nalatigheden. En uiteraard ook niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de belangrijkste blunder die in het rapport wordt beschreven, te weten de aankoop van ondeugdelijke mortiergranaten. Ernstig vind ik wel dat op een aantal plaatsen in het rapport waar sprake is van op schrift gestelde beslissingen wordt vermeld dat ‘niet achterhaald kon worden waar en door wie…’ die beslising werd genomen. Geen van al die kritische vragenstellers heeft daar ook maar even bij stil gestaan.
    Het is bizar, dat het gewoonte is geworden dat ambtenaren worden gespaard, ook als overduidelijk is gebleken dat er ernstige fouten werden gemaakt. En het rapport van de OVV toont op vele plaatsen aan dat dergelijke fouten bij herhaling zijn gemaakt. Waar de Onderzoeksraad naar mijn mening te ver gaat is dat uit deze reeks (vaak opzettelijke) fouten de conclusie wordt getrokken dat die tot de cultuur van Defensie behoren. Heel nadrukkelijk heeft de OVV aangetoond dat tot aan het moment waarop de ondeugdelijke munitie in gebruik werd genomen alles in het teken heeft gestaan van de tijdsdruk die er door de – toenmalige – politiek is gezet op het uitzenden van de missie naar Afghanistan. De OVV veegt daarmee alles bij Defensie op één hoop. De relatie ‘meerdere tot mindere’ is in de militaire cultuur een andere dan in het bedrijfsleven. Een militair bevel staat niet ter discussie, met als enige uitzondering de bepalingen van de Conventie van Genève. Dit soort kritische kanttekeningen hadden volksvertegenwoordigers ook moeten maken, maar zij waren er alleen maar op uit een minister af te zetten. Niet de eerste schande die de Tweede Kamer over zichzelf heeft gehaald.

    Olchert Brouwer

    6 oktober 2017

    Ik ben het vooral erg eens met de opmerking over (on)veiligheid: het leger wordt bij uitstek in onveilige situaties ingezet. “Wie wil werken in een veilige omgeving, heeft in de krijgsmacht niets te zoeken.” Dat neemt niet weg, dat die onveiligheid niet door nalatigheid moet worden verhoogd en dat is in Mali blijkbaar wel aan de hand geweest.
    Ik vind dat Hennis terecht is afgetreden, en met de juiste procedure. Terecht, omdat zij politiek verantwoordelijk is, maar ook omdat zij er (nog?) niet in was geslaagd de cultuur bij Defensie te veranderen. Dat was wellicht een onmogelijke opdracht, dus van falen wil ik niet spreken, van verwijtbaarheid niet eens, maar verantwoordelijk voor hoe de zaak (niet) functioneert is zij wel. Dus terecht afgetreden. Zoals ook Middendorp terecht is teruggetreden. Een symbolische actie, maar wel een krachtig symbool.
    Dat Hennis niet in het volgende kabinet zou kunnen vind ik onzin, vanwege het niet persoonlijk verwijtbare van de situatie. Ik herken wel het partijpolitieke element in de manier waarop Hennis in de Kamer tegemoet is getreden. Ik hoop, dat Rutte/de VVD de moed heeft haar terug te laten komen, juist omdat zij zo correct heeft gehandeld.