Column: Het doek valt voor het theater van de angst

31 oktober reed een pick-uptruck doelbewust in op een groep mensen in Manhattan, New York. De terreurdaad had acht doden en elf gewonden tot gevolg en werd later opgeëist door terreurorganisatie Islamitische Staat (IS). De dodelijkste aanslag in de stad sinds 9/11. Wie echter de krant een dag later erbij pakte, zag dat de voorpagina met de volgende berichten kopte: ‘Grote rol arts bij stoppen met roken’ (Trouw), ‘Niemand die nog zwijgt, #metoo’ (AD) en ‘Broze coalitie van twee kanten onder vuur’ (de Volkskrant). Blijkbaar vond geen enkele Nederlandse krant de aanslag zo nieuwswaardig dat het prioriteit had boven de eerdergenoemde berichten. In andere woorden, Nederlanders zijn niet meer zo onder de indruk van terroristische aanslagen als dat zij dat voorheen waren.

 

De aanslag in New York was de zoveelste in de afgelopen twee jaar. Parijs, Brussel, Nice, Berlijn, Londen, Stockholm, Manchester, Barcelona gingen New York al voor. Het bloedige spoor van terrorisme in het Westen is lang en zal naar alle waarschijnlijkheid alleen maar langer worden. Hoewel aanslagen sinds 9/11 steeds gebruikelijker werden, leken deze na de aanslag begin 2015 op Charlie Hebdo in Parijs in een stroomversnelling terecht te zijn komen. Belangrijk hierin was de combinatie van de opmars van IS in het Midden-Oosten en de enorme vluchtelingenstromen richting met name Europa die op gang zijn gekomen sinds de burgeroorlog in Syrië en conflicten elders in de regio.

 

Traditionele strijdmiddelen van terrorisme werden aangevuld met minder moeilijk verkrijgbare moordwapens. Niet alleen bommen en mitrailleur, maar ook voertuigen en keukenmessen werden geliefd, vooral bij zogeheten ‘lone-wolfs’. Maar paradoxaal genoeg ondermijnt deze veelvoud aan aanslagen júíst het gewenste effect van de terroristen zelf. Het doel van terrorisme is de samenleving te ontwrichten. Door middel van aanslagen wil de terrorist een soort ‘theater van de angst’ creëren. Hierbij spelen beeld en perceptie een cruciale rol. Een terroristische daad is een soort ‘toneelopvoering’ waarbij – anders dan bijvoorbeeld bij criminele liquidaties – de dader juist de schijnwerpers op zich wil hebben.

 

Het doelwit van terroristen is dan ook nooit willekeurig. Publieke evenementen en het openbaar vervoer zijn geliefd, omdat het maatschappelijk ontwrichtende effect hier het grootst is. Ieder van ons gaat wel eens naar een festival, of pakt de trein. De willekeur en onvoorspelbaarheid van aanslagen geven burgers het gevoel dat ook zij mogelijk het volgende slachtoffer kunnen worden. 9/11 was in veel opzichten de perfecte terroristische aanslag. Naast het onvoorstelbare hoge slachtofferaantal had het namelijk ook enorm grote symbolische betekenis. Al Qaida liet zien dat het mogelijk was om als relatief kleine organisatie een mondiale supermacht op eigen grondgebied aan te vallen. De doelwitten waren de symbolen van de economische (World Trade Center), militaire (Pentagon) en politieke (Capitol) hegemonie van de VS. De beelden van de brandende torens in Manhattan staan bij iedereen voor eeuwig in het geheugen gegrift. De enorme visuele impact die 9/11 had, is hierna nooit meer geëvenaard.

 

Vandaag de dag zijn aanslagen minder goed georganiseerd en moeten terroristen het doen met minder middelen. Niet IS zelf, maar ‘lone-wolfs’ in naam van IS, zijn vaak het brein achter deze aanslagen. Gevolg is dat aanslagen meer frequent, maar minder ‘spectaculair’ zijn. Ook juist het feit dat het zo frequent gebeurt, maakt het minder spectaculair. De menselijke geest zit zo in elkaar dat wanneer we herhaaldelijk blootgesteld worden aan verschrikkingen, we hier op een gegeven moment ongevoeliger voor worden. Mensen zijn terrorisme meer als een fact of life gaan zien. Een aanslag komt niet langer uit de lucht vallen, en burgers zijn gewend geraakt aan de nasleep van een dergelijke aanslag. Een toespraak van een staatshoofd, steunbetuiging op sociale media en een herdenkingsdienst op de plek van de aanslag. Het begint toch steeds meer als routine aan te voelen.

 

Terreurorganisaties als IS zijn zich hier echter ook bewust van. Gevolg is dat zij het theater van de angst op een nieuwe, nog gruwelijkere manier proberen creëren. In Manchester dit jaar zagen we dan ook voor het eerst dat doelbewust een popconcert waar veel kinderen en tieners aanwezig waren het doelwit werd. Op deze manier probeert IS het shock-gehalte op te voeren. Tegelijkertijd bestaat hiermee het risico voor IS dat door dit soort walgelijke daden potentiële aanhangers juist kunnen afschrikken.

 

Maar in het theater van de angst spelen niet alleen de terroristen een rol. Minstens net zo belangrijk in deze toneelopvoering is ‘contraterrorisme’. Hierin zijn rollen weggelegd voor bijvoorbeeld de inlichtingendienst, politiekracht en defensiemacht binnen een land. Kortom, alle actoren die verantwoordelijk zijn voor het voorkomen en bestrijden van terrorisme. Wel verschilt de invulling van deze rollen nogal per land. Hierin lijken twee uitersten te bestaan in de ‘zichtbaarheid’ van contraterrorisme. Wanneer wij bijvoorbeeld ons eigen land vergelijken met buurland België, is hier een duidelijk verschil zichtbaar. Wie in Amsterdam over straat loopt zal, afgezien van een politieagent hier en handhaver daar, niet vermoeden dat er iets aan de hand is. Dit is totaal anders dan momenteel in Antwerpen of Brussel het geval is, waar een overvloed aan politieagenten en zelfs militaire voertuigen het straatbeeld bepalen. Wie niet beter weet zou denken dat hij zich in het centrum van Bagdad bevindt, in plaats van een Westerse hoofdstad. Nou kan dit te maken hebben met het feit dat ons in Nederland een grootschalige aanslag als in Brussel vorig jaar bespaard is gebleven. Ook heeft Nederland geen broedplaatsen voor jihadisme van het formaat Molenbeek.

 

Maar toch lijkt het Nederlandse contraterrorismebeleid – anders dan in België – meer gericht op ‘soft power’, dan op ‘hard power’, tot noch toe met succes. De maatregelen die Nederland treft tegen terrorisme ontvouwen zich vooral op de achtergrond en dit ondermijnt het theater van de angst dat de terrorist wil creëren. Terroristen proberen de staat te provoceren tot harde maatregelen, maar Nederland geeft hier geen gehoor aan. Zolang Nederland aan dit beleid vasthoudt en burgers zich steeds minder laten choqueren door aanslagen, begint de impact van terrorisme meer en meer af te nemen. Langzamerhand begint op deze manier dan ook het doek te vallen in het theater van de angst. Zoals de Britten het moreel onder de bevolking hoog wisten te houden tijdens de Tweede Wereldoorlog: ‘Keep calm and carry on’.

 

Wilbert Jan Derksen is stagiair bij de TeldersStichting en student Internationale Betrekkingen vanuit Historisch Perspectief aan de Universiteit Utrecht.

Jouw reactie...