Column: Geduld is geen progressieve zaak

Lange tijd leek het onderwerp identity politics voorbehouden aan universiteitscampussen in de Verenigde Staten, maar het afgelopen jaar heeft dit virus ook Europese universiteiten besmet. Steeds vaker raken universitaire bestuurders en wetenschappers bevangen door het idee dat mensen uit bepaalde groepen, zoals etnische minderheden, personen met een bijzondere seksuele geaardheid en – bovenal – vrouwen, gecompenseerd moeten worden voor hun ‘achtergestelde’ maatschappelijke positie. Vanuit een zogenaamd progressief streven naar sociale rechtvaardigheid treft men daarom allerlei maatregelen om deze ‘onderdrukte’ groepen te bevrijden uit hun benarde situatie. Op de vraag of en hoe deze ingrepen daadwerkelijk bijdragen aan gelijke behandeling horen we echter zelden een zinnig antwoord. En dat behoeft niet te verbazen: dergelijke maatregelen dragen namelijk niets bij aan gelijke behandeling, omdat ze niet op processen, maar op uitkomsten, en niet op individuen maar op groepen gericht zijn.

 

Een treffend voorbeeld daarvan deed zich vorige maand voor aan de prestigieuze University of Oxford. Om meer vrouwelijke studenten aan te trekken en het ‘diverse’ profiel van de opleiding een boost te geven, heeft de faculteit filosofie besloten dat voortaan 40 procent van de leeslijst uit vrouwelijke auteurs behoort te bestaan. Bovendien eist de faculteit dat de namen van vrouwelijke auteurs niet langer met initialen – zoals wel gebruikelijk is geworden uit emancipatoire overwegingen – maar uitsluitend met de voornaam worden aangeduid. Op die manier kan er onder de studenten geen twijfel bestaan over de ‘vrouwelijkheid’ van hun literatuur.

 

Hoewel een zo breed mogelijke diversiteit aan opvattingen belangrijk (zo niet: onontbeerlijk) is binnen de academische wereld, slaat de universiteit van Oxford de plank volledig mis. Filosofische denkbeelden zijn – voor zover deze gebaseerd zijn op de principes van de rede en logica – immers niet afhankelijk van geslacht, huidskleur, etniciteit of andere arbitraire (lichamelijke) kenmerken. Want: het gaat er in beginsel niet om door wie iets geschreven, maar wat er is geschreven. Ondanks dit fundamentele liberale principe koppelt men in Oxford liever de intellectuele bijdrage van vrouwelijke denkers aan de biologische toevalligheid van hun vrouw-zijn. Waarom? Vrouw zijn betekent toch niet per se dat je iets al dan niet beter zou kunnen dan mannen?

 

‘Nee, natuurlijk niet’, zal de doorgewinterde progressieve feminist antwoorden. Maar waarom dan toch de betrekkelijk geforceerde ‘feminisering’ van het curriculum, vraag ik me af? Waarom moet plotseling 40 procent (waar komt dit percentage vandaan?) van het curriculum ‘vrouwelijk’ zijn en waarom moeten andere denkers die voorheen als een waardevol onderdeel van de opleiding werden beschouwd daar voor wijken? Met andere woorden: vanwaar de focus op de vorm in plaats van de inhoud?

 

Een recente beslissing van de Universiteit Leiden doet vermoeden wat op deze vraag het antwoord is. Daar werden vorige maand veertien portretten van vrouwelijke hoogleraren in de Senaatskamer opgehangen, ten koste van veertien mannen die er reeds hingen. Daarmee brak de oudste universiteit van Nederland met een eeuwenoude traditie: een portret was voorheen namelijk voorbehouden aan overleden professoren, terwijl de veertien afgebeelde vrouwen allemaal nog in leven zijn. Desondanks moest de wisseltruc plaatsvinden, omdat er, zo stelt het College van Bestuur van de universiteit, ‘behoefte is aan meer ruimte voor vrouwen in de wetenschap’.

 

Daarmee wordt gesuggereerd dat die ruimte er nu niet of onvoldoende is. Maar waaruit blijkt dat? Nederlandse universiteiten wemelen van de vrouwen en er komen ieder jaar weer meer vrouwelijke promovendi, docenten en hoogleraren bij. Hoezo ‘te weinig ruimte voor vrouwen’? Dat er in de Leidse Senaatskamer nog nauwelijks portretten van vrouwen aanwezig zijn, zegt bovendien niets over de academische kwaliteiten van vrouwen in het algemeen, maar toont slechts aan hoe pril (en ook: hoe bijzonder) het emancipatieproces is.

 

Het toch – tegen de traditie in – willen afbeelden van meer vrouwen getuigt dan ook niet zozeer van vooruitstrevendheid, maar veeleer van een hardnekkige drang om de historische littekens van ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen schoon te poetsen en om de ‘slechte’ traditie in overeenstemming te brengen met de morele standaarden van het heden. Want alleen vanuit een ongekende weerzin tegen de geschiedenis kunnen veertien individuen plotseling de eeuwenoude portretteneer (of: een plek in het filosofie-curriculum) in de schoot geworpen krijgen.

 

En zo getuigt de progressieve mens, die pretendeert de ‘juiste’ man-vrouw-verhoudingen minutieus te kunnen vaststellen, noch van geduld noch van enig inzicht in het liberalisme. Want in plaats van het daadwerkelijk bevorderen van gelijke kansen voor alle individuen (mannen én vrouwen), wast de progressief liever zijn handen en in onschuld door – uit zijn weerzin tegen de geschiedenis – veertien capabele vrouwen te reduceren tot symbolen van collectieve zieligheid. Iets wat niet alleen onnodig is, aangezien de dames in kwestie hun academische strepen op eigen kracht hebben verdiend, maar ook een miskenning behelst van hun individualiteit. Met liberalisme heeft het de plaatsing van de portretten dan ook niets te maken; althans, niet zolang deze beslissing gebaseerd is op arbitraire groepskenmerken in plaats van individuele kwaliteiten.

 

Het is  vanuit deze gedachte althans  te hopen dat de knappe koppen in Oxford zorgvuldig te werk zullen gaan bij het samenstellen van het nieuwe curriculum. Een aanzienlijk deel van de filosofische canon, gedomineerd door dode, witte mannen, zal immers geschrapt moeten worden om ruimte te maken voor de nieuwe ‘vrouwelijke’ inzichten. De cruciale vraag die zich daarbij aandient is natuurlijk: wie sneuvelt het eerst? Is dat de liberale filosoof John Stuart Mill, de grote feminist van de 19e eeuw? Of kiest men er voor om traditionele, ‘vrouw-onvriendelijke’ denkers als Plato van de lijst te schrappen? Ik wens de progressieve mens veel succes met het maken van deze keuze. Zo moeilijk lijkt ’t op het eerste gezicht niet te zijn.

 

Jip Stam is politicoloog, student rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden en deeltijdmedewerker bij de Teldersstichting.

Alleen abonnees kunnen mee debatteren. Word abonnee!
    Peter Versteegh

    14 april 2018

    Op één punt kan ik me vinden in de acties van de Universiteit van Oxford. Dat je meteen kunt zien of iemand man of vrouw is. Dat gaat naar mijn smaak dieper dan politieke of ethische overwegingen, het is biologisch. Daarom vind ik het nog steeds vreemd dat omwille van de gelijkheid allerlei beroepen of functies uitsluitend mannelijk zijn geworden. Vrouwen zijn directeur in plaats van directrice, etc. Dat mag teruggedraaid worden.

    Alleen betalende gebruikers kunnen mee debatteren.