Column: Constitutionele toetsing en het democratische debat

Toen minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren enkele weken geleden in de Burgemeester Daleslezing een sneer maakte naar Forum voor Democratie, door diens leider Thierry Baudet direct met rassendiscriminatie in verband te brengen, besloot laatstgenoemde aangifte te doen tegen de minister wegens smaad en laster. Hoewel deze stap door menig Nederlands jurist werd afgedaan als “kansloos”, trad de hoogste Duitse rechter vandaag in een vergelijkbare zaak actief op tegen een minister wegens schending van de ‘statelijke neutraliteit’. Dit roept de vraag op wat de rol is van de rechter in het vrije, democratische debat.

 

Aanleiding van het rechterlijke oordeel was een bericht dat de Duitse minister van Onderwijs Johanna Wanka in 2015 op de website van haar ministerie had geplaatst. Daarin werd onder de kop ‘Rote Karte für die AfD’ afkeurend gesproken over een aangekondigde demonstratie van de nieuwe politieke partij Alternative für Deutschland (AfD). De AfD stapte destijds al naar de rechter en vorderde, met succes, de verwijdering van het desbetreffende bericht. Vandaag onderstreepte het Bundesverfassungsgericht die beslissing en voegde daaraan toe dat de minister de ‘staatsneutraliteit’ heeft geschonden.

 

De rechter was namelijk van mening dat de minister de AfD ‘in ihrem Recht auf Chancengleichheit der Parteien’, als vastgelegd in artikel 21 van de Grundgesetz, heeft benadeeld. Met andere woorden: door de negatieve berichtgeving over de AfD-demonstratie op de website van het ministerie is de vrijheid van vereniging en de opdracht van artikel 21 om de ‘politieke wilsvorming van het volk te bevorderen’ in het gedrang gekomen. De uitdagingen van de AfD jegens andere partijen in het parlement mogen door bewindspersonen van die partijen niet met een boycotoproep beantwoord worden, aldus het hooggerechtshof. Zou dit wel zijn toegestaan, dan is er geen gelijke kans om burgers voor een politieke beweging te engageren en wordt het ‘staatliche Neutralitätsgebot’ geschonden.

 

De Duitse casus toont opvallende gelijkenis met de niet geringe aantijgingen van de Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken Ollongren aan het adres van Forum voor Democratie-leider Thierry Baudet in haar Daleslezing. Zij beschuldigde Baudet van racisme en discriminatie en betoogde dat Forum voor Democratie daarmee de ‘kernwaarden van Nederland bedreigt’. Ook Baudet probeert nu een gang naar de rechter te forceren, zij het op basis van smaad en laster (op basis van de strafwet) en niet vanwege schending van de grondwet.

 

Afgezien van de – kennelijk – geringe kans van slagen van Baudets greep naar de strafwet, zal een beroep op de grondwet in Nederland überhaupt geen zin hebben. Het verbod op rechterlijke toetsing aan de grondwet (art. 120 Gw) verhindert namelijk een beslissing zoals die van het Duitse hooggerechtshof in de AfD-zaak. In dat opzicht is het politieke debat in Nederland ‘vrijer’ van rechterlijke bemoeienis dan in Duitsland, omdat dit debat eerst en vooral wordt overgelaten aan politieke partijen en hun afgevaardigden. Zodoende lijkt  – althans vanuit liberaal perspectief – de conclusie gerechtvaardigd dat de rechter zich in beginsel niet met de uitspraken van politici heeft te bemoeien.

 

Evenwel heeft de bevoegdheid (lees: grondwettelijke opdracht) van de Duitse rechter om de staatsneutraliteit te bewaken ook voordelen. In het geval van de Duitse onderwijsminister bleek van een schending van die neutraliteit immers overduidelijk sprake te zijn. Sterker nog, de betrokken minister heeft ruiterlijk toegegeven dat aan het bericht op de website van het ministerie een “politische entscheidung” ten grondslag lag. Dat behoeft enerzijds vanuit democratisch oogpunt niet te verbazen, omdat ook ministers zich in het politieke debat (moeten) mengen. Dat neemt anderzijds niet weg dat de hoedanigheid van een minister als dienaar van het gehele volk en hoofd van een uitvoerend staatsorgaan de nodige terughoudendheid vergt, zeker wanneer de toegang tot het politieke debat in het geding is. Dat de Duitse rechter een minister aan deze neutraliteitseis kan houden heeft in termen van openheid en vrijheid in het debat dus ook een belangrijke meerwaarde.

 

Te stellen dat minister Ollongren met haar anti-FvD-uitspraken de toegang van die partij tot het debat het belemmerd lijkt me overdreven, en om die reden zou rechterlijke controle in dit geval onnodig zijn. Aan de andere kant is het op zijn minst onwenselijk te noemen dat de minister van Binnenlandse Zaken zwak gefundeerde uitspraken doet over collega-politici die voor hen een veiligheidsrisico kunnen opleveren. Uit ervaring weten we namelijk dat het racisme- of discriminatie-etiket – of dit nu terecht is of niet – levensbedreigende toestanden kan opleveren voor diegenen op wie het geplakt wordt.

 

Constitutionele toetsing van de neutraliteit van politici is dus in zoverre gewenst dat het de vrije en gelijke toegang tot het politieke debat beschermt tegen de willekeur van bewindspersonen. Het zou zijn doel echter voorbijstreven als het debat daardoor onnodig wordt belemmerd. Hoewel de Duitse uitspraak laat zien dat hierin een balans gevonden kan worden, is daarmee het grootste nadeel van constitutionele toetsing – judicial activism – nog niet verholpen. Om die reden dienen rechters, of men grondwettelijke toetsing nu toelaat of niet, zo ver mogelijk van het politieke debat vandaan te blijven. Dat geldt evenzeer voor uitspraken van ‘extreemrechtse populisten’ als voor die van ‘gefrustreerde grachtegordelministers’.

 

Jip Stam is politicoloog, student rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden en deeltijdmedewerker bij de Teldersstichting.

Alleen abonnees kunnen mee debatteren. Word abonnee!