Column: Blokkerige en bobbelige littekens

Hoewel ik zelf geen religieus man ben, bezoek ik graag kerken wanneer ik hier de kans voor krijg. De belangrijkste reden hiervoor is de prachtige architectuur die in deze gebouwen, met name in Europa, te vinden is. Ook voor iemand die niet naar binnen stapt om te bidden tot de Heer, roept de symmetrische en imposante vormgeving van een kerkgebouw een gevoel van rust en harmonie op. Een perfecte plek om even een moment van bezinning en zelfreflectie voor jezelf te nemen. Vooral het feit dat deze godshuizen vaak honderden jaren oud zijn, dwingen bij mij een gevoel van ontzag af. Dat mensen met de beperkte middelen van toen dergelijke gigantische en extreem gedetailleerde constructies konden bouwen, kan mij nog steeds verbazen.

 

En dit geldt eigenlijk voor alle ‘klassieke’ gebouwen. Europa is gezegend in zijn overvloed aan prachtige architectuur, vooral in de grotere steden. Maar er lijkt een keerpunt te zijn geweest na de Tweede Wereldoorlog. De naoorlogse architectuur ging mijns inziens van kwaad tot erger. In de verwoeste landschappen van de door oorlog getroffen landen moesten logischerwijs simpelere en kostefficiënte gebouwen zo snel mogelijk neergezet worden. Maar deze trend leek zich ook na economisch herstel te hebben doorgezet. Waar klassieke gebouwen zich kenmerken door hun sierlijke en complexe vormen, lijkt de moderne architectuur een voorkeur te hebben voor simpele blokken en bobbels. Londen, Parijs, Brussel en zelfs ons eigen Den Haag worden allemaal ontsierd door dergelijke littekens van het (post-)modernisme en deconstructivisme.

 

Architectuur zegt iets over de samenleving. Het is een weerspiegeling van de kernwaarden en stemming die heerst onder de bevolking. De renaissance probeerde de Griekse en Romeinse ideeën van schoonheid en wijsheid uit te dragen die verloren waren gegaan tijdens de middeleeuwen. Memento mori werd vervangen door carpe diem. Geen sobere gebouwen maar frivole en prachtige kunstwerken begonnen het straatbeeld te bepalen. In de Sovjet-Unie straalde de bouwstijl het communistische gedachtengoed uit van gemeenschap zonder ruimte voor individualiteit. Blokkerige, grijze gebouwen die allemaal op elkaar lijken was het gevolg. Het ontwerp dat Albert Speer maakte voor Welthauptstadt Germania (Berlijn) straalt de ideologie van het fascisme uit. Fascistische architectuur was gebaseerd op de Romeinse bouwstijl, maar dan zonder versieringen en tierelantijnen, om in simpliciteit kracht en eenheid uit te stralen. Belangrijke overheidsgebouwen waren van een gigantisch formaat om zo burgers te intimideren en aan de onbetwiste autoriteit van de staat te herinneren.

 

Ik vraag mij dan ook af wat de opkomst van moderne architectuur in onze Westerse samenleving zegt over onszelf. Een modern gebouw als het Kunsthaus Graz roept bij mij eerder gevoelens van verwarring, eenzaamheid en existentiële angst op dan dat het mij in positieve zin beïnvloedt. Alsof er bewust voor gekozen is om de menselijke ziel te krenken. ‘Brutalisme’ – een stroming binnen de moderne architectuur – stelt dan ook dat gebouwen er bewust niet comfortabel of gemakkelijk uit mogen zien, om zo de seriositeit en ernst van het menselijk bestaan uit te stralen. Sinds begin twintigste eeuw is de leus ‘vorm volgt functie’ steeds prominenter geworden binnen de architectuur. Het ontwerp werd ondergeschikt aan de functie, met extreem gemakkelijke maar vooral saaie ontwerpen als gevolg. Misschien staan de vormloze en kleurloze betonnen en metalen blokken en bobbels dan ook symbool voor de identiteitscrisis die we doormaken in onze maatschappij als het gevolg van desoriënterende globaliseringsprocessen en doordenderende technologische vooruitgang. Orde en harmonie is vervangen door chaos en verwarring. Maar misschien is dit ook gewoon wel mijn eigen interpretatie van een voor mijzelf onverklaarbaar fenomeen.

 

De bekende Amerikaanse architect Peter Eisenman zei ooit: ‘If we make people so comfortable in these nice little structures we might lull them into thinking that everything’s all right, which it isn’t’. Een nogal deprimerend uitgangspunt van één van de meest vooraanstaande architecten in de wereld. Indien wij willen voorkomen dat onze steden vervallen in dystopische nachtmerries, stel ik voor dat wij niet langer gehoor geven aan dit soort lugubere teksten. Het is daarnaast ook ondemocratisch. Publieke polls hebben aangetoond dat mensen liever klassieke dan moderne architectuur zien. Maar voor grote architecten als Eisenman gaat het niet om wat de mensen willen, maar om wat ze zouden moeten willen. Hij stelt dat indien we alleen maar zouden luisteren naar wat we willen, we enkel nog naar popmuziek in plaats van Beethoven zouden luisteren. De smaak van de intelligente architect gaat in dit geval dus boven die van de domme massa.

 

Maar dit argument gaat in het geval van architectuur niet op, aangezien mensen die een hekel hebben aan Beethoven de mogelijkheid hebben zijn muziek compleet te negeren. Architectuur daarentegen is onontkoombaar, omdat het zich in de publieke ruimte bevindt. De publieke ruimte moet mensen comfortabel en welkom doen voelen. Architectuur gaat uiteindelijk om mensen en niet om de gebouwen zelf. Gebouwen moeten opgaan in de omgeving en niet als een gastoeter de aandacht naar zichzelf toe willen schreeuwen. Het moet esthetisch samenhangen met de gebouwen waar het zich tussen bevindt. Vooral in Europa, met al haar klassieke steden, is dit vaak niet het geval, met afschuwelijke blokkerige en bobbelige littekens als gevolg. Zoals prins Charles ooit zei: ‘You have to give this much to the Luftwaffe. When it knocked down our buildings, it didn’t replace them with anything more offensive than rubble’.

 

Toegegeven, er zijn nou eenmaal mensen die moderne architectuur juist wel kunnen waarderen. En misschien maak ik met deze column dezelfde fout die architecten als Eisenman in mijn opinie doen, namelijk het opdringen van mijn persoonlijke mening aan de massa. Ik pleit met deze column dan ook niet voor het afschaffen van dergelijke architectuur, maar het democratiseren ervan. Zou het niet logisch zijn dat wanneer er plannen liggen voor zoiets extreems als het Kunsthaus Graz er een mogelijkheid bestaat voor de inwoners van de stad om het weg te stemmen indien de meerderheid vindt dat het niet past binnen het stadsbeeld. Over smaak valt niet te twisten, maar indien er niet overlegd wordt is geruzie hierover onvermijdelijk.

 

Wilbert Jan Derksen is stagiair bij de TeldersStichting en student Internationale Betrekkingen vanuit Historisch Perspectief aan de Universiteit Utrecht.

Alleen abonnees kunnen mee debatteren. Word abonnee!
    Georg Kellersmann

    12 januari 2018

    Geweldige visie Wilbert Jan. Inderdaad in door de verwoestingen van de oorlog veel van de meest waardevolle architectuur verloren gegaan. Gelukkig is er ook op veel plaatsen heel wat gereconstrueerd volgens de oude stijl. In de vrijwel verwoeste binnenstad van Dresden is veel herbouwd zoals het ooit was geweest. Het monster van een schouwburg uit de DDR periode is blijven staan ter herinnering aan die afgrijselijke cultuurperiode.
    in het algemeen heeft de ‘Moderne Zakelijkheid’ ons weinig fraais gebracht.

    Alleen betalende gebruikers kunnen mee debatteren.