Uitgebreide boekbespreking: Algemeen inzicht en gezond verstand

Bespreking van Frits Korthals Altes, Zeven politieke levens: Herinneringen in dossiers, Boom-Amsterdam 2017, ISBN 978 90 2240 823 8

 

Frits Korthals Altes was minister van Justitie voor de VVD in de eerste twee kabinetten-Lubbers, van 1982 tot 1989. In die periode vond een aantal geruchtmakende ontvoeringen plaats, waaronder die van Gerrit Jan Heijn en van Freddy Heineken en zijn chauffeur Ab Doderer. Korthals Altes besloot de pen op papier te zetten uit ergernis over allerlei publicaties en de speelfilm over de zaak-Heineken die de rol van het politiespeurwerk miskenden. Dat speurwerk zorgde volgens hem – en hij kan het weten want hij zat er bovenop – voor een doorbraak in het onderzoek. Politie en Justitie speelden een ware heldenrol.

 

Daarna besloot de auteur ook andere kwesties uit zijn werkzame leven voor de geschiedenis vast te leggen. In vijf jaar tijd leverde dat een dik pak papier op van 925 pagina’s. Ruim zeventig procent daarvan is nu uitgegeven onder de titel Zeven politieke levens: Herinneringen en dossiers. De rest – waaronder zijn werkzaamheden als regeringsvertegenwoordiger in de conventie voor de opstelling van Europese grondrechten, een van de zeven levens uit de titel – is raadpleegbaar op de website www.zevenpolitiekelevens.nl. De zes levens-in-druk zijn achtereenvolgens die van VVD-bestuurder, minister, Tweede Kamerlid, Eerste Kamerlid, kabinetsformateur en minister van Staat. In 28 hoofdstukken passeren 25 omvangrijke dossiers de revue: advocatuur, bestuurlijke loopbaan in de VVD, de abortuswetgeving, begin van het ministerschap, de politie, de plaatsing van kruisraketten, vijf ontvoeringen en gijzelingen, de rechterlijke macht en het ministerie van Justitie, de PC Hooftprijs van 1984, het beleidsplan Samenleving en criminaliteit, het onderzoek naar de dood van kraker Hans Kok, de kabinetsformatie van 1986, het terrorisme van RaRa, de twee oorlogsmisdadigers in Breda, de kabinetscrisis van 1989, de werkzaamheden in de Tweede en de Eerste Kamer, de kabinetsinformatie van 2003, het eerherstel van Bram Peper, het overig bestuurlijk werk in raden en commissies en het ministerschap van Staat.

 

Online staat dan nog een uitvoerige versie van het hoofdstuk over het overig bestuurlijk werk en acht bonusdossiers: de Overzeese Gas- en Elektriticiteitsmaatschappij (OGEM), de affaire Slavenburg’s Bank, verdovende middelen, wetgeving, de clowns in Oude Pekela, minister voor de Eredienst, de zaak-Bosio en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

 

Het zwaartepunt van de memoires ligt bij Korthals Altes’ ministerschap in de jaren tachtig. Dat vormt het hart van het boek. Hoezo te veel of te dik? Voor juridische fijnproevers en parlementair historici is het een geweldig boek. De auteur formuleert uiterst nauwkeurig en onderkoeld, en hij heeft oog voor procedures en historisch gegroeide verhoudingen. Een aantal hoofdstukken bevat sterke politieke analyses die herinneringen oproepen aan Het jongste verleden van P.J. Oud. Korthals Altes strooit karig met anekdotes, maar die zijn dan wel raak. Zo vertelt hij over het politiepaard dat de rijkspolitie ter ere van Korthals Altes Kleine Frits had genoemd. Inspecteur-generaal Joop de Wijs voerde, op Kleine Frits gezeten, het commando over de bereden politie tijdens Prinsjesdag 1991 (Korthals Altes 2017, 162). Elders spreekt hij over de invoering van kleurrijkere cellen voor kleurrijkere gedetineerden door de Rijksgebouwendienst. Die had architect Carel Weeber gevraagd om een nieuwe gevangenis te ontwerpen. De Rijksgebouwendienst ging akkoord met Weebers voorstel om alle cellen aan te passen aan de kleur van de gedetineerden – maar stelde daarbij wel één voorwaarde: ‘niet roze’ (ibid., 334).

 

Ondanks deze anekdotes staat de zakelijke kant centraal. Opmerkingen over personen zijn functioneel – over premier Lubbers komen we weinig meer te weten dan ‘in het bedenken van weer een nieuwe variant kent Ruud Lubbers zijn weerga niet’ (ibid., 441) – en zo lang de archieven nog gesloten zijn, klapt Korthals Altes helaas niet uit de school – bijvoorbeeld over de gouden tip in de zaak-Heineken.

 

Daar staat tegenover dat hij zijn herinneringen aan de door hem behandelde dossiers zo zorgvuldig mogelijk heeft getoetst aan primaire bronnen uit zijn eigen archief, hier en daar aangevuld met nieuw materiaal. Dat tilt dit boek uit boven het gemiddelde historisch-wetenschappelijke niveau van memoires. Het wemelt van de adressen, namen en data, waaruit ik afleid dat de auteur driftig in de weer is geweest met kantooragenda’s, persoonlijke aantekeningen en plakboeken. Zijn verhaal over de kabinetsinformatie van 2003 is gebaseerd op een schrift met 125 volgeschreven bladzijden, en hij verwijst verder regelmatig naar gegevens uit de 140 archiefmappen die zijn echtgenote sinds 1982 verzamelde. Andere politici kunnen een voorbeeld nemen aan deze historische debriefing.

 

Nu zijn er weinig liberale Nederlandse politici van het kaliber Korthals Altes. Als 14-jarige plakte hij in 1946 al affiches voor de oude Partij van de Vrijheid, de voorloper van de VVD. Zijn bestuurlijke carrière in die laatste partij startte in 1962 toen hij secretaris werd voor de afdeling Rotterdam. Daarmee kreeg hij meteen toegang tot ‘het liberale walhalla’, de maandelijkse lunch op de sociëteit van de Koninklijke Roei- en Zeilvereniging ‘De Maas’ met partijleider Oud, senator Harm van Riel en de top van het Rotterdamse bedrijfsleven, samen zo’n twintig liberalen. In de jaren zestig vormde hij als algemeen secretaris samen met Henk Vonhoff de kiesvereniging om tot een echte partij en van 1975 tot 1981, toen Wiegel er een volkspartij van maakte, was hij partijvoorzitter. Was hij een soort van Stalin binnen de liberale partijbureaucratie? Daar was het de partij niet naar, maar invloedrijk was hij natuurlijk wel. Het boek wemelt ook van de passages die beginnen met: ‘ik kende hem/haar nog uit (…)’. Dat betreft vooral oud-studiegenoten. Als hij in 2003 samen met staatsraad Rein Jan Hoekstra kabinetsinformateur wordt, merkt hij op: ‘ik kende hem sinds hij zijn carrière in 1965 als advocaat in Rotterdam was begonnen’. Een tolk die hij later in Frankrijk krijgt toegewezen, blijkt zelfs een achternicht te zijn.

 

Hoewel de auteur zich niet duidelijk uitlaat over zijn persoonlijke voorkeur voor het politieke leiderschap van de VVD – als jurist heeft hij al moeite met dat begrip – lijken Wiegel en Oud bij hem toch bovenaan te staan. Hij heeft weinig op met het losbandige ‘gewoon jezelf kunnen zijn’ van Ed Nijpels, maar prijst hem wel voor het initiatief dat leidde tot Samenleving en criminaliteit. Van Riel vindt hij vaak te negatief. Voorhoeve is wel sympathiek, maar geeft te weinig leiding. Bolkestein wordt geprezen voor zijn electorale successen, maar hij plantte in 1990 ook het zaadje voor Wilders.

 

Korthals Altes zelf behield altijd het scherpe randje van de advocaat die hij was aan het begin van zijn carrière, al sleet dat wel af naarmate zijn bestuurlijke werkzaamheden toenamen. Hij was van nature afkerig van magistratelijke hooghartigheid: ‘ik kende deze houding maar al te goed uit mijn eigen advocatenpraktijk’ (ibid., 343). Volgens zijn moeder was hij als jonge jongen erg onder de indruk van de oorlog. Zijn carrière als advocaat en politicus zou daar zijn oorsprong vinden. Dat verklaart ook zijn tegenstand tegen de afschaffing van de opkomstplicht. Hij kon zich niet voorstellen dat er zo nonchalant werd omgesprongen met de in 1945 herstelde democratische rechten. Voor dit soort uit de jaren zestig stammende vrijblijvendheid had hij geen goed woord over. Datzelfde gold voor linkse journalisten die hun afspraken niet nakwamen: ‘ik vind het als liberaal altijd interessant waar te nemen hoe zich progressief noemende mensen, die zeggen zich vol compassie met de medemens solidair te voelen, eigenlijk over die medemens denken’ (ibid., 353). Een hasjgebruiker bleef in zijn ogen gewoon een verslaafde en hij vond het schandelijk dat in Playboy foto’s verschenen van half ontklede VVD-medewerkers in de zaal van de Tweede Kamer. Aan de andere kant beet hij zich ook vast in het onderzoek naar de dood van een kraker in een politiecel. Tijdens de lunch liet hij zich op het ministerie twee bruine boterhammen en een glas water brengen en dook hij in het dikke dossier van bijna 1000 pagina’s. De politie bleek te hebben geblunderd en een weinig doortastende procureur generaal zag zich gedwongen ontslag te nemen.

 

De auteur wijdt niet uit over zijn politieke kompas, maar tussen de regels door leren we daar veel over aan de hand van de praktijkvoorbeelden die hij beschrijft. Hij houdt het op checks and balances en de balance of power die typisch liberaal zouden zijn. Als zijn juridische kennis of politieke ervaring hem in de steek laat, vormen algemeen inzicht en gezond verstand zijn richtsnoer. Korthals Altes hecht bovenal aan de letter en de geest van de Grondwet. Hij blijft tegenstander van het referendum (dan heerst volgens hem het alles of niets van de meerderheidsuitspraak en is er geen belangenafweging meer met oog voor het belang van minderheden), maar is intussen wel opgeschoven in de richting van de gekozen burgemeester, na wijziging van de Grondwet natuurlijk. In het verleden heeft hij zich sterk gemaakt voor het herstel van vormfouten, mits dat geen inbreuk zou maken op de rechten van verdachten. In dit verband gaat hij uitvoerig in op de ‘onrechtmatige huiszoeking’ bij een van de verdachten van de terreuraanslagen van RaRa (RaRa was een gewelddadige anti-apartheidsgroep die vooral streed voor de terugtrekking van Nederlandse bedrijven uit Zuid-Afrika. Tussen 1984 en 1993 pleegde RaRa aanslagen op bijvoorbeeld Shell of de Makro, waarbij er louter materiële schade werd aangericht). Opmerkelijk, maar niet onlogisch is zijn kritiek op de in 2002 ingestelde Raad voor de rechtspraak: ‘een bestuursorgaan dat geen verantwoording hoeft af te leggen en niet aan controle kan worden onderworpen is een onding’ (ibid., 313). De afwezigheid van checks and balances wreekt zich hier.

 

Verschillende dossiers leveren nieuwe of verrassende inzichten op. Korthals Altes geeft bijvoorbeeld een heldere beschrijving van de perikelen rondom de politie, met name de rivaliteit tussen de door de machtige VNG gesteunde gemeentepolitie en de onder Justitie ressorterende rijkspolitie. Als prominente VVD-minister wordt hij ook nauw betrokken bij de besluitvorming over de plaatsing van nieuwe kruisraketten. Op een cruciaal moment krijgt hij in Washington zelfs topsecret informatie rechtstreeks van de CIA over ondergrondse silo’s in de Sovjet-Unie (ibid., 203). Verder levert het ‘pausbudget’ niet alleen structureel meer blauw op straat op, maar ook een nachtzichtcamera en een gloednieuwe commandowagen. De ontvoering van Freddy Heineken vindt plaats op de dag nadat Korthals Altes met diezelfde Heineken de afloop had gevierd van een mislukte poging tot afpersing met vergiftigd bier. Een door K. Schippers geschreven provocerend juryrapport blijkt precies de juiste stok te zijn om de omstreden PC Hooft-laureaat Brandt Corstius te slaan. De crisis na de Nacht van Wiegel wordt opgelost met de deal dat er geen schadelijke moties zouden worden ingediend tegen de ministers Jorritsma en Borst in verband met de Bijlmerramp-Enquête. VVD-leider Gerrit Zalm sloot in 2003 een ministerschap voor de SGP uit omdat die partij vond dat vrouwen geen zitting mogen nemen in politieke organen. Enzovoort.

 

Daarnaast schetst hij onder meer hoe het bezuinigingskabinet Lubbers uiteindelijk toch geld vrijmaakt voor uitbreiding van de rechterlijke macht. De vraag is of het dat ook zou hebben gedaan bij een minder prominente bewindspersoon op Justitie. De oud-VVD-voorzitter moest in ieder geval binnenboord worden gehouden. Korthals Altes speelt het spel overigens ook slim mee. Zijn voorbehoud tijdens de formatie van het kabinet-Lubbers II tegen een algemene personeelsreductie van twee procent – onder het mom van ‘bureaucratiekorting’– kwam hem later goed van pas. Interessant is verder de vaststelling dat er ten tijde van dat tweede kabinet Lubbers onder VVD-ministers een sfeer heerste dat de CDA-collega’s zelf maar oplossingen voor hun problemen moesten bedenken. Dat was onder het kabinet-Lubbers I anders. Korthals Altes was erg boos over de crisis die de VVD in 1989 over zichzelf afriep op het moment dat de CDA-ministers Deetman en De Koning op het punt stonden met het kabinet te breken. Het kostte hem zijn ministerschap. De Koning had intussen zelfs al voorgesorteerd op de PvdA.

 

Het ministerschap van Staat was tenslotte de kroon op Korthals Altes’ carrière net zoals dat bij Oud het geval was geweest (ibid., 51). Daarvoor was hij al een man met auctoritas die alom respect afdwong en aanzienlijke invloed uitoefende, ook buiten zijn eigen kring.

 

Tot slot nog een punt. In het hoofdstuk over de Twee van Breda stelt Korthals Altes dat er van een beslissende interventie van koningin Juliana geen sprake was. Dat ben ik niet met hem eens. Hij reageert daarmee op een brief van politicoloog Hans Daalder – wiens vrouw een overlevende van de holocaust was – die als Drees-biograaf ongetwijfeld informatie uit de eerste hand had. In het archief van oud-minister Struycken bevindt zich ook een notitie waarin hij beschrijft dat de koningin omstreeks 1950 weigerde om afwijzingen van gratieverzoeken te ondertekenen. Zij had ernstige gewetensbezwaren tegen de doodstraf en grote moeite om door medeondertekening daarvoor verantwoordelijkheid te nemen. Met respect voor de positie van het huis van Oranje en de ministeriële verantwoordelijkheid voor de geheimen van Den Bosch en Soestdijk – waar Korthals Altes terecht de nadruk op legt – kan de historische verantwoordelijkheid van koningin Juliana niet worden ontkend. Diezelfde verantwoordelijkheid legt de auteur aan de dag in dit fraaie boek waar ik van heb genoten.

 

Mr. dr. J.C.F.J. van Merriënboer is als onderzoeker verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit te Nijmegen.

Jouw reactie...