Vrouwenkiesrecht voorgesteld in 1867

In veel landen die in de negentiende eeuw gekozen parlementen kenden, was het kiesrecht beperkt. Maar zelfs wanneer dit recht (bijna) algemeen heette te zijn, was één zeer grote groep steevast toch uitgesloten: de vrouwen.

 

Precies anderhalve eeuw geleden werd door een befaamde liberaal een poging ondernomen deze situatie te veranderen. Dit gebeurde niet in Nederland maar in Groot-Brittannië. Daar was in 1867 in het parlement een uitbreiding van het kiesrecht (voor mannen) aan de orde. Twee jaar eerder was de liberale denker en schrijver John Stuart Mill in het Lagerhuis gekozen. Als kandidaat-parlementariër had hij de belofte gedaan dat indien ten minste honderd burgers uit zijn kiesdistrict Westminster in een petitie om vrouwenkiesrecht vroegen, hij een amendement daartoe zou indienen. In 1866 kreeg Mill een petitie met 1.499 handtekeningen overhandigd.

 

Mill deed zijn woord gestand. Zijn op 20 mei 1867 ingediende amendement luidde dat in de kieswet het woord ‘man’ moest worden vervangen door het woord ‘person’. Er bestond, betoogde hij, geen adequate rechtvaardiging voor het blijven uitsluiten van de helft van de gemeenschap die verder aan alle wettelijke vereisten voor het kiesrecht voldeed. Vrouwen dienden, net als iedereen, het recht te krijgen ‘to be consulted’ over zaken die hen raakten. Mills amendement werd verworpen, maar als je bedenkt dat het destijds overal nog voor vanzelfsprekend werd gehouden dat het openbare leven – en zeker de politiek – aan mannen was voorbehouden, was het opmerkelijk dat ruim 27% van de aanwezige parlementsleden op dat moment voor stemde (73 stemmen voor, 194 stemmen tegen).

 

Zijn tegenstanders overlaadden Mill met hoon. Zo plaatste het blad Punch enkele cartoons om de spot met Mill en zijn amendement ten behoeve van vrouwenkiesrecht te drijven. In een ervan werd Mill als een klein mannetje getekend omringd door boven hem uitstekende manwijven.

 

Na 1867 werden in Groot-Brittannië nog verschillende nieuwe pogingen ondernomen het kiesrecht ook aan de vrouwen toe te kennen. Maar pas tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin vrouwen massaal werk buitenshuis overnamen van de mannen die aan het front vochten, kwam de doorbraak. Bij de invoering van het algemeen mannenkiesrecht in 1918, kregen ook vrouwen het kiesrecht doch alleen de wat oudere vrouwen: vanaf 30 jaar en mits zij aan zekere eigendomsvoorwaarden voldeden dan wel een universitair diploma hadden (eisen die voor mannen juist waren geschrapt, nu op algemeen mannenkiesrecht werd overgestapt; en voorts lag voor mannen de grens op 21 jaar, zelfs op 19 jaar indien zij in militaire dienst waren). Pas tien jaar later, in 1928, kregen Britse vrouwen het kiesrecht volgens dezelfde regels als die voor mannen golden.

 

En Nederland? Daar werd in 1887 in de Grondwet juist het voorvoegsel ‘mannelijke’ gezet voor het woord ‘ingezetenen’ om te voorkomen dat vrouwen aanspraak op kiesrecht zouden kunnen maken. Hierdoor zou voortaan eerst de Grondwet moeten worden herzien vooraleer het kiesrecht aan vrouwen kon worden toegekend. Pas weer dertig jaar later, bij de Pacificatie in 1917, werd dit voorvoegsel ‘mannelijke’ op aandrang van vooral liberalen en sociaal-democraten (en tegen de zin van de meeste confessionelen) uit onze Grondwet geschrapt. Twee jaar later, in 1919, werd in ons parlement de initiatiefwet-Marchant aangenomen waarbij het kiesrecht aan alle vrouwen op gelijke voet als aan mannen werd toegekend. De Tweede Kamerverkiezingen van 1922 waren in Nederland de eerste waarbij vrouwen een stem konden uitbrengen.

 

Patrick van Schie is historicus en directeur van de Teldersstichting. Hij werkt thans samen met Fleur de Beaufort aan een boek over liberalen en het vrouwenkiesrecht.

 

 

 

Jouw reactie...