Column: Wie betaalt het algemeen nut?

Op 28 april van dit jaar stuurde staatssecretaris van financiën Menno Snel een brief aan de Eerste en Tweede Kamer, waarin de continuering van de Geefwet met betrekking tot ANBI’s kenbaar werd gemaakt. Deze wet maakt giften aan ANBI’s, oftewel algemeen nut beogende instellingen, belasting aftrekbaar, mits deze gift meer bedraagt dan 10% van het belastbaar inkomen, of over een periode van minimaal vijf jaar wordt vastgelegd. Voor culturele ANBI’s is er zelfs sprake van een extra aftrekmogelijkheid die in het leven is geroepen om de door de bezuinigingen ten tijden van de financiële crisis zwaar getroffen culturele instellingen een steuntje in de rug te bieden.

 

In bovengenoemde brief wordt als motivatie voor de voortzetting van deze wet aangevoerd dat er veel draagvlak vanuit de samenleving voor bestaat, en dat de wet een bijdrage levert aan goede doelen en de cultuursector. Aangezien de Geefwet in kwestie verre van kritiekloos is ontvangen, zou men wel wat vraagtekens mogen zetten bij de kracht van deze motivatie. Dat de wet inderdaad een financiële opsteker is voor de ANBI’s, is meermaals verdedigd, bijvoorbeeld door Prof. Dr. Sigrid Hemels, in haar artikel ‘Evaluatie ANBI’s en giftenaftrek’ in weekblad Fiscaal Recht (23-02-2018).

 

De zwakte van de in de brief aangedragen argumentatie schuilt mijns inziens vooral in de manier waarop een beroep wordt gedaan op de communis opinio als legitimering voor de beleidsvoering. Hoewel het naar de mond praten van de kiezer bij sommige partijen gemeengoed lijkt te zijn geworden, wisselt een dergelijke wijze van wetgeven visie en ideologie in voor een gedweeë onderdanigheid aan de dictatuur van de meerderheid. Zeker in een tijd waarin populisme hoogtij viert, lijkt mij een solide, vanuit een ideologie gefundeerde beleidsvoering de wenselijke gang van zaken.

 

Als men de voortzetting van de Geefwet wil verdedigen – en volgens mij valt daar best wat voor te zeggen – moet men zich dus de vraag stellen of deze wet in overeenstemming is met de visie en ideologie van de regeringspartijen. Aangezien toch zeker een deel van het kabinet het liberale gedachtengoed zou moeten onderschrijven, lijkt het me niet onredelijk om de lezer uit te nodigen te reflecteren op hoe de Geefwet past binnen dit kader. In hoeverre is deze wetgeving in overeenstemming met de liberale grondbeginselen? Mijn doel is hier slechts om wat bescheiden suggesties te doen.

 

Op het eerste gezicht past een constructie als de Geefwet goed in een liberale maatschappelijke visie. Het legt de verantwoordelijkheid voor het in stand houden en stimuleren van instanties die zich inzetten voor het algemeen belang bij de burger, in plaats van bij de overheid. Door middel van de aftrekbaarheid van giften kan de overheid de ANBI’s financieel tegemoet komen, zonder daarbij zelf via directe subsidies controle uit te oefenen over deze sector. Vanuit liberaal oogpunt lijkt het niet onwenselijk om het bestaansrecht van de ANBI’s voor een deel neer te leggen bij de burger en bij de ANBI’s zelf. Op deze manier kan de overheid aan haar taak als bevorderaar van het algemeen nut voldoen, zonder zelf te bepalen uit welke instanties dit nut dan wel bestaat.

 

Hoewel deze constructie in die zin vrijheid en verantwoordelijkheid bij de burger legt, bevat ze ook mogelijke sporen van ongelijkheid. De mate van aftrekbaarheid hangt namelijk af van de belastingschijf waarin het gegeven bedrag wordt verrekend. Tenzij iemand, in een daad van onmetelijke filantropie, een schenking doet welke diens volledige bovenste schijf omvat, zal degene met een hoger belastbaar inkomen een groter voordeel ervaren van de Geefwet dan de donateurs met een lager belastbaar inkomen. Vanuit het grondbeginsel van gelijkheid, denk ik dat hier nog wel discussie mogelijk is.

 

Het valt te verdedigen dat elke burger een gelijk fiscaal voordeel heeft. Om het kind niet met het badwater weg te gooien is er wat voor te zeggen om voor elke schenker de gift te behandelen als viel deze in de bovenste fiscale schijf.

 

Al met al lijkt het me belangrijk dat we over deze beleidsvoering nadenken, en de voor en tegen argumenten ideologisch onderbouwen. Ik denk dat we het erover eens kunnen zijn dat het bestaan van ANBI’s in ons aller belang is. Om te zorgen dat het algemeen nut daadwerkelijk algemeen kan worden genoemd, is wat liberale reflectie over de precieze invulling van deze wetgeving wel op zijn plaats.

 

Kees Greven is wetenschapsfilosoof en onderzoeksstagiair bij de Teldersstichting. 

Alleen abonnees kunnen mee debatteren. Word abonnee!