Column: Raken de Tories onder May in de greep van staatsinterventionisme?

Hoewel Jeremy Corbyn zijn verre voorganger Michael Foot, de Labour-Leider in 1983, in extremisme overtreft, maakt hij de laatste weken een verrassende comeback in de peilingen. Labour scoort nu om en nabij de 35%, veel beter dan de partij 34 jaar geleden uit de verkiezingen kwam. Het geeft maar weer eens aan dat het gevaar voor de democratie nog altijd evenzeer van uiterst links als van uiterst rechts kan komen. Gelukkig doen de Conservatieven het in Groot-Brittannië in de peilingen beduidend beter dan Labour. De kans dat Theresa May als premier kan aanblijven lijkt vooralsnog het grootst.

 

In veel opzichten zou de voortzetting van het Conservatieve bewind een geruststelling zijn. May is bijvoorbeeld een fervent voorstander van de Navo, en de Britten behoren tot die kleine club van lidstaten die voldoen aan de verplichting ten minste 2% van hun BBP aan defensie te spenderen.

 

Nu Labour de uiterste linkerkant van het Britse politieke spectrum opzoekt, de LibDems blijven kwakkelen en UKIP aan het ineenstorten is, hebben de Conservatieven inhoudelijk vrij spel. De Tory-partij bestaat al meer dan een eeuw uit een combinatie van traditionele conservatieven en ideologisch meer liberaal gezinden, die in de jaren tachtig van de negentiende eeuw en de jaren twintig van de twintigste eeuw de partij zijn ingestroomd. Vooral sinds de Thatcher-jaren kregen de liberaal gezinden er meer gehoor voor hun denkbeelden.

 

May komt net zo min als Thatcher uit de elitaire kringen waar het traditionele conservatisme en vogue is. Toch wil zij kennelijk afstand nemen van de liberalere koers die Thatcher voer. In het verkiezingsprogram van de Conservatieven – Forward Together – wordt niet alleen de ideologie van socialistisch links verworpen maar ook die van de ‘libertarian right’ (waarmee in Angelsaksische landen vaak het klassiek-liberalisme wordt aangeduid). May omhelst ‘the mainstream view that recognises the good that government can do’. Ze voegt eraan toe dat ideologie niet enkel overbodig is maar zelfs gevaarlijk.

 

Wat gaat dit voor het door de Conservatieven te voeren beleid betekenen? May schrijft in haar verkiezingsprogram: ‘We do not believe in untrammeled free markets.’ Hier zou enige kennis van de klassiek-liberale ideologie haar toch van pas hebben kunnen komen. Dan had zij immers geweten dat geen klassiek-liberaal meent dat een vrije markt zonder regels kan. Wil een vrije markt goed kunnen werken, dan is het om te beginnen nodig dat eigendomsrechten worden erkend. Voorts moeten partijen op een markt weten dat afspraken worden nagekomen. Indien eigendomsrechten worden geschonden of contracten niet worden nageleefd, moet de gang naar een onafhankelijke rechter zijn gewaarborgd. Die zal moeten oordelen op basis van democratisch gelegitimeerde wet- en regelgeving. Een vrije markt behoeft dus een stabiele staat, die zekerheid verschaft over de ‘spelregels’.

 

Wat dat betreft is het volkomen juist dat het Conservatieve verkiezingsmanifest opmerkt dat markten er niet alleen zijn voor de producenten maar ook voor consumenten. Ik zou het als liberaal zelfs sterker uitdrukken: markten behoren er bovenal voor ons allemaal te zijn, in onze economische rol als consumenten. Juist om de consumenten zo goed mogelijk te kunnen bedienen moeten ook de aanbieders van goederen en diensten zo vrij mogelijk zijn om ons van de beste producten tegen een zo laag mogelijke prijs te voorzien.

 

So far, so good, wat betreft het liberale gehalte van de Conservatieve plannen. Veel zorgwekkender is dat de Conservatieven eveneens een ‘moderne’ industriepolitiek ontvouwen. Zij willen industrieën identificeren die voor de Britse economie van strategisch belang zijn. Die zouden moeten worden gesteund met onder meer lagere belastingen en meer subsidies. Er komen investeringsfondsen om de ‘key industries’ te ondersteunen zodat deze verder kunnen groeien. Theresa May’s Tories denken dat zij de Britse economie hiermee kunnen versterken.

 

Dit gaat gegarandeerd mislukken. Steun aan bepaalde industrieën zal deze industrieën namelijk lui maken, en zit innovatie waarmee zij de consumenten beter zouden gaan bedienen in de weg. Waar de meeste innovatie te verwachten is, kan een regering bovendien helemaal niet bepalen. Echte innovatie is immers nieuw, derhalve niet te voorzien. Zij komt tot stand op een zo vrij mogelijke markt, wanneer aanbieders door concurrentie worden geprikkeld de consumenten iets beters te bieden.

 

De ‘moderne’ industriepolitiek van de Conservatieven is niet alleen gedoemd te falen, zij is ook hoogst oneerlijk. Zij bevoordeelt immers gevestigde bedrijven, die de lobby-wegen naar de regering goed weten te vinden, boven nieuwe en kleine bedrijven. Zulke industriepolitiek creëert dus het tegendeel van een ‘level playing field’, en dit ten koste van de burgers die als consument minder goede producten aangeboden krijgen en als belastingbetalers geld moeten overhevelen naar gevestigde industrieën. Als Theresa May een eerlijke economische politiek wil die de gewone burgers ten goede komt, kan zij zich toch maar beter in klassiek-liberale literatuur verdiepen. Misschien heeft Margaret Thatcher haar partij enkele nuttige leestips nagelaten?

 

Patrick van Schie is historicus en directeur van de TeldersStichting. Deze column is eveneens verschenen op de website van het dagblad Trouw.

Jouw reactie...

    Jannes Verwer

    2 juni 2017

    De oervader vann de economie de zoon van een Schotse dominee Adam Smith formuleerde ook voral dat er geen martktmacht voor aanbieders mocht ontstaan . De Staat moet daartegen optreden vandaar het hoogontwikkelde bouwerk van antitrust wetgeving. De markten zijn dus daarom altijd geconditioneerd in meer of mindere mate. Het lijkt me toe dat in de huidge tijd van mondiale concurrentie de verschillen in aanpak van marktmacht in de verschillende machtsbloken wel een scherp oog vergen van de nationale staat. Dat China de werkplaats van de wereld is geworden is voor menig onderneming heel nadelig en ten nadele van de economieen in de westerse wereld. De macroeconomen zullen dit veelal ontkennen en wijzen op vervangende industrieen die er zullen ontstaan.. Ondertussen heeft de politicus wel te maken met afkalfende werkgelegenheid in de industrie en in de daaraan gekoppelde dienstverlening. Een productiebedrijf dat eenmaal verdwenen is keert niet snel weer terug. Een ander saillant voorbeeld is dat de productie in China vaker gepaard gaat met een grotere klimaatbelasting: Het probleem dat we onze milieuvraagstukken exporteren; ook aangejaagd door de sterke lobby van milieuorganisaties die niet verder kijken dan het land groot is. Is het dus niet toch verdedigbaar, zij het tegen de liberale principes pur sang in, dat de overheid bij dit type vraagstukken intervenieert? Nb. als het opzeggen van het klimaatverdrag door Trump ertoe leidt dat de eigen(VS) industrie weer investeert in moderne productietechnologie dan komt dat aan het klimaat ten goede. Deze paradox moeten we ook onder ogen zien.

    Ook de liberalen kunen daarvoor de ogen niet sluiten.
    Een saillant voorbeeld is dat producten in China vaak gemaakt kunnen worden met een grotere CO2 belasting dan in ons Westen. Goedkoper dus en met meer klimaatschade. Dit soort markt defecten kan men niet voor lange tijd laten voortduren zonder de eigen economie ernstig te schaden. Indien productie verloren gaat , de fabrieken gesloten worden de aan deze activiteiten verbonden dienstverlening ook minder wordt omdat het zgn level playing field een onhaalbaar therotetisch ideaal zou de Staat toch moeten kunnen bijsturen.