Column: Onafhankelijkheid is onbetaalbaar

Afgelopen dinsdag was het 4 juli. Voor de meeste Nederlanders een gewone dag. Voor Amerikanen een nationale feestdag. Zij vieren dan hun onafhankelijkheid, in 1776 uitgeroepen tegen de in hun ogen tirannieke Engelse koning George III. Vreemd genoeg ontberen wij in Nederland zo’n nationale feestdag, terwijl wij toch bijna twee eeuwen eerder ons op soortgelijke wijze onafhankelijk verklaarden van de in ónze ogen tirannieke Spaanse vorst Filips II.

 

Amerikaanse ouders die hechten aan historisch besef, en aan nationale trots, tronen hun kinderen graag een keer mee naar Philadelphia. In de prachtige oude binnenstad herinneren tal van originele gebouwen en fraaie musea aan de geboorte van de Verenigde Staten. Bovenal Independence Hall, waar 55 vertegenwoordigers van de Engelstalige koloniën in juli 1776 besloten de stoute schoenen aan te trekken en waar de Declaration of Independence voor het eerst ten overstaan van gewone burgers werd gedeclameerd.

 

Wie een paar van deze herinneringsplaatsen in Philadelphia heeft bezocht – wat ook tal van schoolklassen doen – kan het verhaal algauw dromen: de boosaardige Engelse koning zoog de Amerikaanse kolonisten uit en beroofde hen van hun vrijheden. Belastingen en invoerrechten werden opgelegd zonder dat de kolonisten daarover iets te zeggen hadden. Geen wonder dat de Amerikanen en masse in verzet kwamen, en toen de koning niet naar hun redelijke argumenten wilde luisteren voor zelfstandigheid kozen. Een volstrekt unieke gebeurtenis, een volk dat zich vrij vocht van een in wezen vreemd, onderdrukkend bewind.

 

Geen woord valt in een van die herdenkingsplaatsen te beluisteren over precedenten, zoals over het kleine landje aan de Noordzee dat al twee eeuwen eerder hetzelfde had gedaan en zodoende mede inspiratie bood aan de Amerikaanse Founding Fathers. En geen woord over de nuances, zoals het feit dat het verzet tegen de Britten lang niet zo eensgezind was als de Amerikanen vandaag de dag wordt voorgehouden.
Verdeeld land

 

De Amerikaanse historicus Alan Taylor schat in zijn vorig jaar verschenen boek ‘American Revolutions. A Continental History, 1750-1804’ dat hooguit een derde van de blanke Amerikanen in die jaren rond 1776 echt voorstander van de onafhankelijkheid was. Daartegenover stond ongeveer een vijfde van de kolonisten die ‘loyalisten’ waren, dat wil zeggen voorstanders van behoud van de staatkundige band met de Britten. En de overige helft? Die keek de kat uit de boom. Voor zover mensen in deze middenmoot partij kozen, lieten zij dat afhangen van de (lange tijd sterk wisselende) stand van zaken op de slagvelden.

 

De mening van zwarte slaven deed er natuurlijk niet toe, al trachtten sommige Britse bestuurders hen aan hun zijde te krijgen door hen vrijheid in het vooruitzicht te stellen indien zij de Britten zouden helpen. Voor zover de ‘natives’ (Indianen) zich met het conflict inlieten, kozen zij vaker de zijde van de Britten dan van de kolonisten. De kolonisten waren immers uit op westwaartse expansie, oftewel het in bezit nemen van gronden waarop de ‘native’ stammen vaak al millennia lang leefden. De Britten bewaarden liever de rust, dus de status quo.

 

Een verdeeld land-in-wording en een onderlinge strijd die vaak enorm heftig werd uitgevochten. Daar waar de ‘patriotten’ – oftewel ‘rebellen’ – de overhand hadden, kregen de ‘loyalisten het zwaar te verduren. Zij werden vaak letterlijk met pek en veren besmeurd op karren door de straten gereden, in Virginia werden ‘loyalisten’ net zo lang met de zweep bewerkt tot zij ‘Liberty forever’ riepen, hun huizen werden nogal eens leeggeroofd, en tientallen ongelukkigen werden zelfs gelyncht (dat woord stamt ook uit deze tijd, naar een ijverig ‘snelrecht’ plegende kolonel Charles Lynch). Andersom behandelden de Britten en hun medestanders de rebellen overigens net zomin zachtzinnig.
Zware prijs

 

Tegenwoordig zou menigeen betogen dat een land dat zó verdeeld is niet aan een zelfstandig bestaan moet beginnen: hooguit een derde van de bevolking vormt onvoldoende basis voor een ‘Amexit’. In het 21ste eeuwse Groot-Brittannië menen veel ‘Remainers’ dat 52 procent eigenlijk al niet het recht zou moeten hebben de Britse bevolking als geheel aan een Brexit bloot te stellen.

 

Economisch betaalden de kolonisten aanvankelijk een zware prijs voor hun onafhankelijkheid. Tussen 1774 en 1790 kreeg hun economie een terugslag van 30 procent. Niets wijst erop dat de Britten de komende jaren zo’n neergang te wachten staat. Maar dan nog. Weinig Amerikanen zullen zeggen dat hun onafhankelijkheid die prijs niet waard was. En met de Amerikaanse economie is het ook wel goed gekomen. Tegenwoordig ligt de koopkracht van de gemiddelde Amerikaan anderhalf keer zo hoog als die van de gemiddelde (nog van de EU deel uitmakende) Brit.

 

Misschien zouden de ‘vertrekkers’ een referendum in koloniaal Amerika in 1776 hebben verloren. Toch is het de Verenigde Staten als onafhankelijk land goed gegaan. En belangrijker: onafhankelijkheid is geen kwestie van centen tellen. Het gevoel als natie over het eigen lot te kunnen beschikken – waarover tegenwoordig keurig een referendum kan worden gehouden – is onbetaalbaar. Wie weet krijgt 23 juni 2016 voor de Britten ooit eenzelfde betekenis als 4 juli 1776 voor de Amerikanen heeft.

 

Patrick van Schie is historicus en directeur van de TeldersStichting. Deze column is eveneens verschenen op de website van het dagblad Trouw.

 

Jouw reactie...