Column: De rechter als cultureel-antropoloog

Daar is ze weer: de Wet op gelijke behandeling. En wederom doet een rechtelijke uitspraak waarbij ze de inzet is veel stof opwaaien. U raadt het al! Het gaat over de inmiddels beruchte Haagse klassenfoto-zaak, waarbij een basisschool werd veroordeeld tot het betalen van €500 vergoeding aan twee leerlingen vanwege onrechtmatige discriminatie op grond van hun geloof. De school in kwestie had een schoolfotograaf besteld op de dag van het islamitische offerfeest, en om die reden zijn de kinderen – ondanks nadrukkelijke pogingen van de school om de kinderen tegemoet te komen – ‘in hun persoon aangetast’, aldus de rechter. De uitspraak is een typisch geval van multiculturalisme in het recht; een dubieuze trend die op gespannen voet staat met de moderne, liberale rechtsstaat.

 

Hoe komt dat? Welnu, multiculturalisme in het recht – of: rechtspluralisme – houdt in dat de rechter zich de taak aanmeet om de culturele, religieuze en levensbeschouwelijke eigenschappen van individuen uit te leggen, daarover algemene conclusies te trekken en zodoende van een bijzondere juridische status te voorzien. Met andere woorden: de rechter toetst afwijkend gedrag van individuen – in dit geval de afwezigheid van de leerlingen tijdens een klassenfoto – aan de beginselen en tradities van een religieuze of levensbeschouwelijke groeperingen. In de onderhavige zaak blijkt dit uit de volgende passage van de uitspraak: ‘Door de schoolfotograaf voor het maken van de klassenfoto’s op school te laten komen op de dag van het Offerfeest zijn immers hoofdzakelijk de leerlingen met een bepaalde godsdienstige overtuiging beperkt in de mogelijkheid van die dienst gebruik te maken’ (te vinden onder ECLI:NL:RBDHA:2017:7416). Dat de rechter hieruit afleidt dat de kinderen ‘in hun persoon zijn aangetast’ en dat dit moet leiden tot de betaling van smartengeld, heeft een aantal fundamentele (juridische) consequenties.

 

Om te beginnen onderstreept de rechter het (in de Leerplichtwet vastgelegde) recht van deze kinderen om op basis van de religieuze of levensbeschouwelijke groep waartoe zij behoren een uitzondering te krijgen op een algemeen en wettelijk vastgelegd beginsel: de leerplicht. Het gaat bij dit recht niet om incidentele absenties, zoals een afspraak met een (tand)arts, een bezoek aan een ziek familielid of een bruiloft, maar regelmatige gebeurtenissen die onderdeel zijn van bepaalde religieuze en/of culturele systemen. De moeilijkheid daarvan is natuurlijk dat degene die uitzonderingsposities op algemene regels wil toestaan (lees: de wetgever), zich eveneens de vraag dient te stellen wie moet vaststellen welke religieuze en levensbeschouwelijke systemen daaronder vallen en hoe deze afweging tot stand komt. Dat dit een hachelijke zaak is zal zelfs de meest verdienstelijke antropoloog bevestigen. Alleen al de invulling van begrippen als ‘godsdienst’ en ‘levensovertuiging’ is voor nogal wat interpretatie vatbaar. Toch meent de rechter dat het zijn opdracht is de kaders voor dit soort wettelijk toegestane uitzonderingen in te vullen en af te bakenen, daartoe aangezet door een wildgroei aan anti-discriminatiewetgeving; regels die het eenieder mogelijk maken om te klagen over vermeende (indirecte) discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat (Artikel 1 Awgb).

 

Het behoeft niet te verbazen dat het feit dat de rechter uiteindelijk over de interpretatie en de reikwijdte van al deze categorieën moet oordelen inmiddels tot nogal dubieuze jurisprudentie heeft geleid. Een treffend voorbeeld daarvan is een zaak die in 2007 speelde bij de rechtbank Amsterdam. Het ging daarbij om een werkloze boerka-dragende dame die een klacht had ingediend tegen de uitkeringsinstantie, omdat zij van mening was dat die haar onrechtmatig had gediscrimineerd op grond van haar godsdienst. Volgens de uitkeringsinstantie was de uitkering volgens standaardprocedure stopgezet, omdat de dame tot twee keer toe werk had geweigerd; een beleid dat op iedereen van toepassing is. De klagende dame stelde echter dat ze beide posities niet kon accepteren, omdat het eerste bedrijf dat zich aandiende het dragen van haar boerka verbood het tweede van haar verlangde dat ze loten zou verkopen. Beide verzoeken kon zij niet verenigen met haar geloofsovertuiging; een standpunt waar de rechter haar gelijk in gaf. Zijn motivering was dat het ‘een feit van algemene bekendheid’ was dat het ‘voor moslims niet is toegestaan om te gokken’ en verder dat de boerka van deze dame ‘een rechtstreekse uiting is van haar godsdienstige overtuiging’. Om grond daarvan mocht de uitkering van de dame niet worden stopgezet, aldus de Amsterdamse rechter.

 

Net als de uitzonderingsregels op de leerplicht, is ook deze zaak een duidelijke manifestatie van rechtspluralisme. Ten eerste omdat de Amsterdamse rechter de beginselen en voorschriften van een religieus systeem heeft geïntegreerd in de Nederlandse rechtsorde, waardoor de boerkadragende vrouw een uitzonderingspositie kreeg op algemeen geldende rechtsregels. Dit impliceert ongelijkheid voor de wet; de ene burger is aan de wet gehouden en de andere krijgt een uitzondering op basis van een apart stelsel van rechten en plichten dat in dit geval het Nederlandse recht overstijgt. Voorts werd het religieuze voorschrift tot het dragen van gezichts- en lichaamsbedekkende kleding door de rechter op een discutabele wijze geïnterpreteerd; onder moslims is er namelijk géén consensus over de herkomst en de dwingendheid daarvan. Dat de boerka een ‘rechtstreekse uiting van godsdienstige overtuiging’ zou zijn was derhalve slechts de rammelende interpretatie van de rechter.

 

Ten tweede riep de Amsterdamse rechter een juridisch onderscheid in het leven tussen ‘algemeen aanvaard werk’ en ‘werk dat moslims op grond van hun geloof niet behoeven te accepteren’; opnieuw een manifestatie van rechtsongelijkheid. Daarbij maakte de rechter zich bovendien opnieuw schuldig aan het invullen van de religieuze beleving en de daaraan gekoppelde voorschriften voor een individu. De rechter veronderstelde namelijk dat moslims gokken als groep categorisch afwijzen, en dat het lidmaatschap van die groep om die reden het vervullen van bepaalde functies in onze maatschappij uitsluit. Op basis van dergelijke vrije interpretaties over de inhoud van religieuze en/of culturele voorschriften wordt de individuele rechtsdeelnemer de facto gereduceerd tot een lijdzame volgeling in plaats van beschouwd als een autonoom individu met keuzevrijheid. Het gevolg daarvan is dat het de leden van bepaalde groepen wordt weerhouden deel te nemen aan allerlei facetten van onze samenleving (lees: algemeen aanvaard werk of onderwijs). Dat de moderne staat nu juist de pretentie heeft om dergelijke uitsluiting en afzondering van individuen te voorkomen geeft ernstig te denken.

 

De voorstanders van rechtspluralisme stellen daarentegen dat de niet-erkenning van groepskenmerken tot psychische schade kan leiden of – zoals de rechter in Klassenfoto-zaak het formuleert – hen ‘in hun persoon’ kan ‘aantasten’. De bekende politiek-filosoof Will Kymlicka (1962–), een fervent multiculturalist, is er zelfs van overtuigd dat het niet toekennen van uitzondering op algemene wettelijke verplichtingen zelfs als ‘racistisch’ kan worden opgevat. Daargelaten wat hij met dat begrip precies bedoelt, keert Kymlicka zich dus tegen het moderne rechtsstatelijke beginsel van rechtsgelijkheid tussen individuele rechtsdeelnemers. Immers, wat de multiculturele opvatting betreft zijn niet zozeer individuen op zich, als wel individuen binnen minderheidsgroepen de dragers van rechten. Inderdaad, ‘minderheidsgroepen’, want de multiculturalist ziet de nationale (lees: dominante) cultuur nu juist als het gevaar waaraan de minderheidsgroep als geheel niet mag worden onderworpen. Nationale cultuur en identiteit, de dragers van de democratische rechtsstaat, hebben wat deze opvatting betreft een onderschikte status.

 

Dat Nederlandse rechters ertoe geneigd zijn deze opvatting te delen is reden tot grote zorg over de toekomst van onze moderne, liberaal-democratische rechtsstaat. Natuurlijk, leden van minderheidsgroepen moeten in beginsel de ruimte krijgen om hun culturele of religieuze achtergrond te behouden en te beleven en mogen dan ook geen doelwit worden van doelgerichte discriminatie. Zodra echter de bescherming van deze rechten voert tot rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid, doordat de rechter zich genoodzaakt voelt bepaalde culturele en levensbeschouwelijke systemen te duiden, deze op individuele burgers te projecteren en daaruit uitzonderingen op algemene wetten en regels te destilleren, streeft de ongetwijfeld goedbedoelde bescherming van minderheden zijn doel volledig voorbij en komt de democratische rechtsstaat onherroepelijk in gevaar.

 

Kortom, een verzoek tot uitzondering op de leerplicht vanwege een religieus feest is tot daaraan toe, maar de gevolgtrekking dat de school daarom op die dag geen algemene activiteiten mag organiseren (zoals een klassenfoto) gaat een stap te ver. Overigens leg ik de vraag of de voortzetting van de multiculturele wending binnen de rechterlijke macht de integratie van minderheden in de onze samenleving tegenwerkt graag ter overweging voor aan de lezer.

 

Jip Stam is politicoloog, student rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden en deeltijdmedewerker van de Teldersstichting

Jouw reactie...

    Patrick van Schie

    26 juli 2017

    In het betoog van Jip kan ik mij geheel vinden. Het is bovendien nogal absurd dat de rechter in de kwestie klassenfoto heeft geoordeeld dat het niet staan op een klassenfoto als ‘leed’ kan worden aangemerkt. Indien de rechter zich trouwens met kennis van zaken in de islamitische beweegredenen zou hebben verdiept – die kennelijk een grond zijn om zich op de dag van het offerfeest aan de leerplicht te onttrekken, zou hij of zij de school hebben moeten prijzen. Volgens de islam mag je mensen helemaal niet afbeelden, dus de school heeft de kinderen eigenlijk een hele grote dienst bewezen door ervoor te zorgen dat ze niet op een foto zouden worden afgebeeld.

    Charlotte Lockefeer-Maas

    18 juli 2017

    Sterke column Jip. Overigens zou het volgens mij al een hele stap vooruit zijn als in de context van het mensenrechtendiscours en de liberale rechtsstaat de term ‘bescherming van minderheden’ wordt losgelaten. ‘Bescherming van minderheden’ is de term die steeds wordt gebruikt om de essentie van een liberale rechtsstaat aan te geven, terwijl het gaat om de bescherming van het individu, bescherming van zijn vrijheden jegens de overheid – ongeacht of en tot welke minderheidsgroep(en) hij behoort/wil behoren/denkt te behoren… Zoals je goed beschrijft, de consequentie is dat een overheidsmacht groepen en privileges gaat definiëren, en dat is het einde van de liberale rechtsstaat.

    Jannes Verwer

    14 juli 2017

    Prettig deze conclusies op basis van een stevige analyse te lezen.
    Het lijkt ook wel erg op treiteren van de school door de ouders.

      Patrick van Schie

      26 juli 2017

      Dat denk ik dus ook Jannes. Zie mede mijn commentaar op Jips column. Als de ouders streng-religieus zouden zijn zouden ze juist NIET moeten vallen over het ontbreken van hun kinderen op de klassenfoto. Dat ze dat wel doen geeft inderdaad te denken, of het geen getreiter is.