Column: De koning is meer dan een president met blauw bloed

D66 vierde vorige maand andermaal een feestje nadat de Tweede Kamer instemde met het schrappen van de bijzondere strafbaarstelling van majesteitsschennis. Volgens het wetsvoorstel van D66-Kamerlid Kees Verhoeven staat op het beledigen van Zijne Majesteit voortaan dezelfde straf  als het beledigen van ambtenaren. ‘Iedereen is voor de wet gelijk’, twitterde hij euforisch, in combinatie met het gebruikelijke cliché dat het verbod op majesteitsschennis ‘niet meer van deze tijd is’. Daarmee getuigde Verhoeven niet alleen van simplistisch redeneren, maar ook van zijn republikeinse inborst. De door hem gehanteerde visie op het koningschap staat namelijk op gespannen voet met de essentie van de constitutionele monarchie.

 

De monarchie heeft immers als wezenskernmerk dat juist niet iedereen gelijk is voor de wet. Het Koninklijk Huis, dat als enige aanspraak maakt op het koningschap, geniet een bijzondere (grond)wettelijke positie, die in allerlei opzichten verschilt van die van gewone burgers, ambtenaren en ministers. Zo staat Zijne Majesteit – niet voor niets met hoofdletters geschreven – aan het hoofd van het staatsbestel én de samenleving, als onpartijdig symbool van eenheid en verbondenheid, zowel tussen burgers onderling als tussen burgers en de staat. Uit dien hoofde is de koning lid van de Regering en ondertekent hij alle wetten, verdragen en – de naam zegt het al – Koninklijke besluiten, hetgeen noodzakelijk is voor de bekrachtiging daarvan. Dit maakt de  figuur van de koning een onmisbare schakel in ons politieke bestel.

 

Nu is een vaak gehoord bezwaar dat de koning daardoor te veel “macht” heeft, aangezien hij de besluiten van democratisch gekozen organen formeel gezien kan tegenhouden en zich op andere manieren met hun beslissingen kan bemoeien. D66 formuleert dit standpunt als volgt: ‘D66 ziet dat het staatshoofd een waardevolle verbindende rol speelt in onze samenleving. Dit moet de kerntaak van het staatshoofd zijn. Daarbij past niet dat het staatshoofd deel uitmaakt van de regering, de Raad van State en een rol heeft in de formatie. Ondertekening van wetten en ‘Koninklijke’ besluiten zijn dan overbodig’. Voor D66 kan de ‘verbindende rol’ van Willem-Alexander aldus niet bestaan uit een formele binding met het politieke bestel en moeten de nu bestaande bindingen om die reden worden doorgesneden.

 

Maar waarom precies? Wat hebben de Staten-Generaal en het kabinet eigenlijk van de koning te vrezen? Waaruit blijkt dat hij zich ongevraagd met hun aangelegenheden bemoeit en het democratische proces frustreert? De vorst is krachtens artikel 42 van de Grondwet in ieder geval niet verantwoordelijk voor het regeringsbeleid, want dat zijn uitsluitend de ministers, die op hun beurt worden gecontroleerd door de volksvertegenwoordiging. De (symbolische) rol van de koning is slechts het bekrachtigen, in naam van het maatschappelijk lichaam als geheel, van democratisch genomen meerderheidsbeslissingen. Beslissingen die, ondanks dat daarover politiek conflict bestaat, hun collectieve zegginskracht ontlenen aan de instemming van de onbevangen koning, die zich niet door bijzondere (partij)belangen laat leiden, maar slechts het algemeen belang voor ogen heeft. In een sterk gepolariseerd politiek klimaat is dat geen overbodige luxe.

 

Toch is de koning vanwege deze gang van zaken uiterst kwetsbaar. Het moeten bekrachtigen van wetten, verdragen en besluiten zonder daarvoor de politieke verantwoordelijkheid te dragen is in staatsrechtelijke zin een lastige opdracht. De koning kan als lid van de regering worden bekritiseerd vanwege het regeringsbeleid, maar is grondwettelijk gezien niet de aangewezen persoon om aan die kritiek te beantwoorden. Vandaar dat extra wettelijke bescherming tegen nodeloze en schadelijke belediging aan zijn adres wenselijk (zo niet: noodzakelijk) is. Gelukkig doen enkele aanpassingen aan het wetsvoorstel van Kamerlid Verhoeven recht aan deze overweging; een verhoogde strafmaat voor het beledigen van de koning blijft mogelijk en er is voor vervolging geen persoonlijke klacht nodig. De bijzondere maatschappelijke rol en status van de koning blijft zodoende wettelijk beschermd.

 

Als het beschermen van deze bijzondere positie je uiteindelijk niet bevalt, dan dien je voor de algehele afschaffing van de monarchie te pleiten, en niet, zoals D66 voorstelt, het koningschap de facto te reduceren tot een erfelijk presidentschap. Denken we de argumentatie van de zeflverklaarde democraten namelijk helemaal door, dan lijkt de afschaffing van de monarchie en het uitroepen van een republiek simpelweg onvermijdelijk. Een presidentschap op basis van erfopvolging –  bij uitstek een uitdrukking van ongelijkheid en hiërarchie – past immers niet bij het gelijkheidsideaal dat D66 voor ogen lijkt te hebben.

 

Het feit dat D66 dit standpunt nochtans niet uitdraagt, heeft vermoedelijk met electorale overwegingen te maken. Een ruime meerderheid van de Nederlandse bevolking, zo blijkt keer op keer uit opinieonderzoek, is namelijk overtuigd voorstander van de monarchie. In die wetenschap kiest D66 voor een soort achterdeur-oplossing: het stukje bij beetje afpellen van de wezenskenmerken van de monarchie totdat het koningschap slechts rudimentair is. Vervolgens lijkt de weg naar republiek plotseling logisch en aannemelijk en zal D66 de eerste zijn om die aan ons op te dringen. Een langzame maar zekere afkalving van de constitutionele monarchie dus, zonder dat we het door hebben.

 

Veel eerlijker en zinvoller is daarentegen het standpunt van de grootste concurrent van D66, GroenLinks. Die partij pleit al sinds jaar en dag voor het omzetten van het Koninkrijk in een republiek; een standpunt waarover tenminste gedebatteerd kan worden, op basis van open en vrije uitwisseling van ideeën, en waarover in het ideale geval direct kan worden gestemd door de bevolkingen van het Koninkrijk. Als daaruit volgt dat de monarchie tot zijn einde moet komen, dan zij het zo. Tot die tijd zal ik handhaven: Oranje boven! Leve de Koning! Hoezee!

 

Jip Stam is politicoloog, student rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden en deeltijdmedewerker van de Teldersstichting.

Alleen abonnees kunnen mee debatteren. Word abonnee!