Column: De dogma’s van het multiculturalisme zijn de wereld nog niet uit

Wie dacht dat het multiculturalisme in Nederland op zijn terugtocht was en het principe van de staatsneutraliteit onbespreekbaar, kwam vorige week bedrogen uit. De hoofddoekdiscussie die korpschef Aalbersberg van Amsterdam vorige week aanzwengelde is daarvan een treffend bewijs. Aalbersberg, die overweegt het dragen van een hoofddoek toe te staan bij het Amsterdamse politiekorps, laat zien dat hij van de begrippen ‘uniform’ en ‘neutraliteit’ geen kaas heeft gegeten. Bovendien bedienen de voorstanders van zijn suggestie zich van een oppervlakkige argumentatie, die de culturele verhoudingen in onze samenleving miskent en zodoende de integratie van niet-westerse allochtonen eerder belemmert dan bevordert.

 

Dat de politie van Amsterdam, net als andere eenheden, op zoek is naar een ‘divers korps’ is natuurlijk begrijpelijk. In een stad waar meer dan de helft van de inwoners van niet-Westerse afkomst is, zou het de lokale politiemacht ongetwijfeld goed doen als er ook mensen uit die bevolkingsgroep als politieagent willen dienen. Ter bevordering hiervan zijn allerhande middelen beschikbaar, zoals extra voorlichting, gerichte promotie en reclame en het naar voren schuiven van inspirerende voorbeelden. Het is inmiddels folklore om dit te doen met burgemeester Aboutaleb van Rotterdam of Tweede Kamervoorzitter Arib; waarom wordt Ahmed Marcouch dan niet onze voorbeeldige ‘agent met een migratie-achtergrond’? Hier is op zich niets mis mee. Waar echter een fundamentele grens wordt overschreden is bij de toepassing van (positieve) discriminatie of de schending van de staatsneutraliteit.

 

Zo is het weigeren of voortrekken van bepaalde individuen op grond van huidskleur, religie, politieke overtuiging of geaardheid bij wet verboden, aangezien in een liberale maatschappij individuen slechts op basis van objectieve en uiterlijke criteria worden beoordeeld en niet op hun puur subjectieve en innerlijke kenmerken. Als de politie een een Marokkaanse Nederlander zou weigeren vanwege zijn huidskleur, maakt zij zich schuldig aan onrechtmatige discriminatie – net zo schuldig als de groenteboer die een sollicitant voortrekt omdat die op het Granny Smith-kleurige GroenLinks stemt.

 

Dit neemt echter niet weg dat er naast onrechtmatige ook rechtmatige vormen van discriminatie kunnen zijn. De belangrijkste daarvan is het neutraliteitscriterium. Dit houdt in dat iedere werkgever – zowel publiek als privaat – het recht heeft om in het kader van de uitvoering van zijn werkzaamheden uitwendige (lees: waarneembare) uitingen van religie, politieke voorkeur, levensovertuiging of geaardheid door zijn werknemers mag verbieden. Nota bene het Europees Hof van Justitie (van de EU) heeft dit criterium onlangs nog in een arrest onderstreept, met dien verstande dat het wel moet gaan om een breed verbod dat niet slechts ziet op een bepaald kenmerk of een specifieke (religieuze) overtuiging.

 

Dat bij uitstek een staatsorgaan als de Nationale Politie een beroep doet op dit neutraliteitscriterium behoeft niet te verbazen. Politieagenten beschikken immers over bijzondere, ingrijpende wettelijke bevoegdheden en zijn verplicht daarbij zonder aanzien des persoons op te treden. Een liberale staat behandelt iedere burger immers als gelijk voor de wet. Zowel het wettelijke (staats)gezag als de veronderstelde neutraliteit van de politie worden gesymboliseerd door het daartoe voorgeschreven uniform, dat er in heel Nederland hetzelfde uit ziet. Zodoende is de politie niet alleen voor iedereen herkenbaar, maar straalt zij bovendien geen enkele vooringenomenheid uit. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor rechters, die op hun beurt een toga dragen.

 

Voorstanders van de opheffing van een ambtelijk hoofddoekverbod voeren  dikwijls aan dat het dragen van een hoofddoek niet afdoet aan neutraliteit – het zou immers gaan om iemands innerlijke beoordelingsvermogen en niet om zijn uiterlijke verschijning. Dat kan natuurlijk zo zijn, maar deze pretentie van innerlijke neutraliteit is voor diegene die met de uiterlijke (religieuze) symbolen van de desbetreffende ambtsdrager wordt geconfronteerd allerminst overtuigend. Zo kan een rechter met een felgroene D66-button wel de pretentie hebben neutraal te zijn, maar laat dat onverlet dat hij nodeloos de schijn van partijdigheid op zich vestigt. Wie dan stelt: ‘Het zijn allemaal D66-rechters’, krijgt zodoende het gelijk in schoot geworpen. Om niet alleen de verdachte maar ook de ambtsdrager hiertegen te beschermen, draagt laatstgenoemde een verplicht ambtelijk uniform. Bovendien heeft de burger – in tegenstelling tot situaties in het private verkeer – geen vrije keuze met welke publieke ambtsdrager hij te maken krijgt. Om een keuze niet aan de burger op te dringen, dient de staat iedere schijn van vooringenomenheid te voorkomen door neutraal voor de dag te komen.

 

Een ander veelgehoord argument voor de versoepeling van deze zogeheten lifestyle-neutraliteit is dat de demografie van de samenleving ‘nu eenmaal verandert’ en dat de politie voortaan een ‘afspiegeling van de samenleving’ moet zijn. Dat de demografie van ons land verandert is natuurlijk waar, en het zou om die reden ook goed zijn als minderheden voortaan beter vertegenwoordigd zijn binnen overheidsorganen, maar dat neemt niet weg dat we het hier hebben over de Nationale Politie; een politiemacht die het gezag van de nationale staat vertegenwoordigt. Aangezien de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking geen hoofddoek draagt noch de religieuze voorschriften die daarachter schuil gaan onderstreept, is het evident dat dit symbool in ons land geen onderdeel uitmaakt van een nationaal uniform. Tussen de zeden en de staat bestaat immers een noodzakelijk verband, zo leerde Hegel ons. Daargelaten dat een liberale staat, ook indien er sprake zou zijn van een islamitische meerderheid, zijn neutraliteit jegens alle burgers dient te handhaven – juist uit respect voor minderheden(!).

 

Ten laatste is het natuurlijk een wassen neus dat de integratie van minderheden in onze maatschappij – de islamitische in het bijzonder – beter zal verlopen als we het multiculturalisme in onze staatsinstellingen gaan verankeren. Integendeel. Wie de ongewenste segregatie van de burgerlijke samenleving in de instituties van de staat wil incorporeren, geeft impliciet alle hoop op dat onze samenleving op enig moment weer een harmonische eenheid kan worden. En dat lijkt me het laatste wat ons land in dit gepolariseerde tijdsgewricht kan gebruiken. Dat multiculturalisten dat maar niet (willen) begrijpen blijft mij een groot raadsel.

 

Jip Stam is politicoloog, student rechtsfilosofie en deeltijdmedewerker van de Teldersstichting.

Jouw reactie...