Column: De depolitisering van de politiek

Onlangs bleek dat de Tweede Kamer onopgemerkt de zeggenschap had opgegeven over enkele miljarden belastinggeld die de komende jaren aan verpleeghuiszorg moeten worden uitgegeven. De Tweede Kamer had unaniem een motie aangenomen waarin actie van staatssecretaris Van Rijn werd gevraagd voor betere verpleeghuiszorg. In antwoord hierop had de staatssecretaris zich tot het Zorginstituut Nederland gekeerd. Een commissie van werkgevers, personeel en patiëntenorganisaties kreeg daarop de kans om overeenstemming te vinden over de vraag wat goede verpleeghuiszorg is. Toen hen dat niet lukte, gingen de ambtenaren van het Zorginstituut zelf aan de slag met hun ‘wettelijke doorzettingsmacht’. Na een paar maanden hadden zij besloten wat kwaliteit van verpleeghuiszorg is, waaronder: 40 procent meer personeel in 2022. En zo zullen de komende jaren miljarden worden uitgegeven, zonder dat de Tweede Kamer kan beslissen waar dat geld naartoe gaat, en zonder dat het zelf gedebatteerd heeft over de vraag wat goede verpleeghuiszorg is.

 

Dit incident – de depolitisering van politieke besluitvorming voor de verpleeghuiszorg – staat niet op zichzelf. De Algemene Rekenkamer stelt bezorgd dat voor meer dan de helft van de publieke uitgaven geen controle plaatsvindt in het parlement. Voor een aanzienlijk deel daarvan wordt in het geheel geen democratische verantwoording afgelegd.

 

Het probleem is niet alleen dat de vele miljarden die burgers aan belasting en premies afdragen, worden uitgegeven zonder democratische verantwoording. Het probleem is ook dat (als consequentie daarvan) geen democratisch debat meer gevoerd wordt over bij uitstek politieke vragen, zoals: wat is goede zorg? Of wat is goed onderwijs? Het zijn immers de ambtenaren, bestuurders van semi-publieke instellingen en door hen ingehuurde consultants die de afwegingen maken, en niet de politici. Er vindt een verarming van het democratisch debat plaats, en dat is niet alleen een kwestie van geld. Hoe vaak horen we niet dat ‘Brussel’ beslist in plaats van ‘Den Haag’, of dat een internationaal verdrag een politiek besluit in de weg zou staan? Misschien klopt dat juridisch wel, maar vaststaat dat zo’n opmerking elke inhoudelijke discussie over de richting van de EU of de betekenis van een mensenrecht lamlegt.

 

Het wezenlijke van wat politiek is, wordt zo op tal van terreinen miskent. En het opmerkelijke is, dat dat gebeurt door zowel de politicus zelf als door zijn ‘omstanders’ die zijn rol overnemen. Politiek is in essentie het afwegen van – aan elkaar tegenstrijdige – belangen, in het licht van de waarden en idealen van de politicus. In een democratie mogen politici dat doen, omdat zij een mandaat van het volk hebben. Daarom kan ook gesteld worden dat democratische wetgeving en democratisch bestuur ‘het algemeen belang’ dienen. ‘Het algemeen belang’ is geen schat die alleen nog maar moet worden ontdekt, maar de uitkomst van een publieke, democratische belangenafweging.

 

Met de depolitisering van de politiek verdwijnt de politiek niet, maar die verplaatst zich naar plekken waar geen democratische verantwoording wordt afgelegd. Ambtenaren, consultants, rechters of semi-publieke bestuurders nemen besluiten of hebben daar veel invloed op, zonder democratische verantwoording af te hoeven leggen. Zij zijn verkapte politici, wellicht zonder dat zelf te beseffen. Immers, zij doen hun werk als ‘expert’. Op hen wordt een beroep gedaan vanwege hun specifieke kennis.

 

Zo’n technocratische wending aan het politieke proces is zowel ondemocratisch als onliberaal. Het sluit namelijk alternatieve besluiten uit, omdat de veronderstelling is, dat er maar één juist besluit zou bestaan: het besluit dat genomen is door de expert. Alsof, als er maar genoeg verstandige mensen in de politiek zouden zitten, het land dan vanzelf wel goed bestuurd wordt. Dat is een miskenning van zowel de afweging van tegenstrijdige belangen die aan een besluit ten grondslag ligt, als van het feit dat besluiten niet alleen op basis van feiten of kennis, maar ook op basis van waarden worden genomen.

 

Politici zelf zijn niet zelden de aanstichters van hun verlies aan zeggenschap. Zij schuiven ongemakkelijke keuzes of controversiële onderwerpen liever af op bijvoorbeeld een rechter. Het afschuiven van een politieke vraag op anderen kan de politieke besluitvorming ook efficiënter maken, wat een bewindspersoon handig kan uitkomen. In andere gevallen is het, zoals bij de kwestie van de verpleeghuiszorg, onoplettendheid van parlementariërs geweest, waardoor de staatssecretaris zich via ambtenaren van het Zorginstituut Nederland van zijn lastige taak kon kwijten om een visie te formuleren op goede verpleeghuiszorg.

 

Wat valt tegen deze depolitisering van de politiek te doen? In de eerste plaats moeten politici assertiever worden en hun rol serieuzer nemen. Of het nu gaat om inspraak in Europese besluitvorming, de uitleg van een rechterlijke uitspraak die volgens hen niet strookt met de bedoeling van de wetgever, of het vervolg dat een minister aan een motie geeft. Maar het zou ook helpen als er, zeker onder hoogopgeleiden die de functies van verkapt politicus doorgaans bekleden, wat meer erkenning zou komen voor wat politiek in essentie is. Zij zouden het moeten herkennen wanneer zij met een politieke vraag bezig zijn, waarop geen enig juist antwoord bestaat dat met een dosis expertise kan worden gegeven.

 

Charlotte Lockefeer-Maas is wetenschappelijk medewerker bij de Teldersstichting

Jouw reactie...

    Jannes Verwer

    1 oktober 2017

    Frits Korthals Altes wijst er in zijn boek zeven politieke levens al op dat de gruwel van het strikt scheiden van beleid en uitvoering tot deze ongewenste situatie leidt. De uitvoering wordt weggeschoven en in handen gelegd van bestuursorganen buiten de invloed van de minister. Deze kunnen dan zonder veel democratische controle hun gang gaan. Saillant overigens dat de minister wel verantwoordelijk kan worden gehouden en dan zelfs aftreedt. Beleid en uitvoering lopen in elkaar over en de strikte scheiding is eigenlijk niet mogelijk. Organisatiedeskundigen hebben indertijd deze richting gekozen. De politiek kwam buten spel te staan en de bureaucratie had weer aan belang gewonnen.

    Georg Kellersmann

    29 september 2017

    Nu zal ik hier niet gaan beweren dat Charlotte ongelijk heeft met haar betoog over depolitisering. Het voorbeeld dat zij geeft voor dat vrij zware betoog is denk ik niet het meest geschikte. Dat gaat natuurlijk om een groot bedrag aan belastinggeld dat is waar. Maar over weinig onderwerpen is gedurende de zitting van Rutte-II – en speciaal in de demissionaire periode daarvan – zoveel kritiek geleverd als juist de tekortschietende ouderenzorg. Alle partijen van de toenmalige oppositie, inclusief drie van de nu onderhandelende partijen, hebben luidkeels geroepen om verbetering van dit deel van de zorg in het bijzonder, daarbij geen enkel voorbeeld schuwend van wat als slechte zorg werd beschouwd. Ook de – inmiddels demissionaire – PvdA heeft daar stevig op aangedrongen om te laten zien hoezeer de ouderenzorg die partij aan het hart gaat. En als dan de betrokkenen die in deze zorg werkzaam zijn niet tot een advies komen, wat zit er dan anders op dan dat betrokken ambtenaren met een plan komen. Onttrekt de besteding van deze geldmiddelen zich daardoor nu volledig aan de parlementaire controle? Mij dunkt van niet. Als de volksvertegenwoordiging dat wenst dan zal de regering verantwoording daarover afleggen.
    Het voorbeeld staat niet alleen, zo heeft de Algemene Rekenkamer er dus ook al op gewezen dat over veel uitgaven geen, dan wel onvoldoende verantwoording wordt afgelegd.
    Charlotte noemt ook het ‘Brussel’ syndroom. Als er in de politiek iets gebeurt dat menigeen in het verkeerde keelgat schiet dat ligt het argument van de Brusselse verantwoordelijkheid al direct op de loer. Dat we het in Europa zonder Brussel niet redden staat voor mij vast. Dat ‘Brusselse’ besluitvorming wordt gekenmerkt door een onvoldoende democratisch gehalt is wijd en zijd bekend, ook bij onze parlementariërs. Alle besluiten die door Brussel worden genomen berusten op voorgaande beleidsvorming in de Raad van Ministers. De Nationale Parlementen hebben daarin de mogelijkheid in te grijpen. Zelfs het meest kritische anti-EU kamerlid in Den Haag doet er weinig moeite voor om die bevoegdheid te gebruiken.
    Zo zijn er dus meer voorbeelden te geven van depolitisering. Het vragenuurtje op de dinsdagmiddagen maakt duidelijk met wat voor onbenulligheden de leden van de Tweede Kamer bewindslieden en ambtenaren aan het werk houden.
    De allesoverheersende oorzaak van depolitisering is het systeem van regeringsvorming. Het schijnt nog steeds niet tot de politieke ‘Elite’ door te dringen dat de kiezers wel weten dat ze een volksvertegenwoordiging kiezen, maar dat ze dat doen omdat ze van die vertegenwoordigers verwachten dat er een effectieve en efficiente regering wordt gevormd.
    Als het verkiezingsresultaat het mogelijk maakt een kabinet van twee partijen te vormen, dat wordt de hoogste prioriteiten van twee partijen al geweld aangedaan, want een coalitie betekent ‘inleveren’. Als er meer dan twee partijen nodig zijn wordt aan nog meer prioriteiten geweld aangedaan en, zoals we dit najaar beleven, dan blijft er weinig over om trots op te zijn. Een coalitie vereist fractiediscipline ten behove van de handhaving van het regeerakkoord, zoals de heer Baudet dat noemt ‘het partijenkartel’. Kartel dan niet in de zin van niet geoorloofde afspraken, maar van niet geoorloofde afwijking van afspraken.
    Zo heeft coalitievorming gevolgen die het goed functioneren van de parlementaire democratie sterk bemoeilijken. De door Charlotte aan de orde gestelde depolitisering is er éém van. De ontevredenheid onder de kiezers over het in de mist verdwijnen van prioriteiten van partijen waar de kiezer zoveel waarde aan had gehecht dat zijn/haar stem naar die partij ging is de belangrijkste oorzaak van de versnippering. Op haar beurt is de versnippering oorzaak van moeilijk te vormen coalities, die dan weer om nog strakkere fractiediscipline vragen. Zo komt de cirkel dus gesloten en versterkt dat proces zichzelf. Laat de kiezer niet alleen de volksvertegenwoordigng kiezen, maar ook de Premier.

    Martin Hooftman

    29 september 2017

    Een column die tot nadenken stemt!
    Heeft het te maken met de tijdgeest: impulsief reageren en weinig diepgang? Lijkt erop dat een politicus zich (te) vaak laat sturen door wat actueel is in plaats van zelf te zorgen voor actualiteit.
    Heeft het te maken met het gebrek aan geschikte kandidaten voor politieke functies en daardoor verlies aan kwaliteit? Lijkt erop dat kleine bedragen te onvoorzien zijn, maar grote bedragen niet.

    In het geval van de 2,1 miljard voor verpleeghuiszorg ben ik benieuwd naar een onafhankelijke analyse van het gelopen proces en daarnaast een reactie vanuit de VVD-fractie.
    Vanzelfsprekend geen bezwaar tegen extra geld voor de zorg, maar dan wel op basis van goede gegevens en een democratische besluitvorming.
    Overigens lijkt het erop dat bij de verpleeghuiszorg het niet zal lukken om voldoende van de veertigduizend nieuwe medewerkers te vinden.
    Vooralsnog is het hele verhaal blamerend.