Column: De ‘brede’ brugklas. Een goed idee?

Een centrale doelstelling van een liberale samenleving is om ieder individu zoveel mogelijk vrijheid te bieden en kansen aan te reiken om zichzelf te ontplooien. Om dit ideaal geen papieren tijger te laten zijn, maar daadwerkelijk gestand te doen, is kwalitatief hoogstaand onderwijs onontbeerlijk. Daarnaast dient ieder individu een gelijke en redelijke kans te krijgen om het bij hem/haar passende onderwijs te genieten. Tegen deze stelling zullen slechts weinigen zich verzetten. Een lastiger vraag is daarentegen hoe het onderwijs moet worden ingericht.

 

Het afgelopen jaar is, met name in aanloop naar de landelijke verkiezingen, de discussie over dit hoe nadrukkelijk aangezwengeld. Zo is door de partijen D66 en GroenLinks voorgesteld om ‘brede brugklassen’ te vormen, waarin alle beginnende middelbare schoolleerlingen twee of zelfs drie jaar lang in dezelfde klas zitten. GroenLinks-Kamerlid Lisa Westerveld legt uit dat dit nodig is omdat kinderen nu te snel worden ingedeeld op een bepaald niveau. ‘Dat beperkt de kansen die kinderen krijgen. Het is te vaak zo dat wie je ouders zijn en wat je afkomst is, bepaalt hoe groot je dromen mogen zijn’, aldus Westerveld.

 

Wellicht is dat ietwat overdreven gesteld, maar Westerveld zou zeker een punt hebben als zij daarmee de relatieve achterstand van allochtonen of de voorsprong die kinderen van rijke ouders kunnen bereiken dankzij (relatief dure) bijspijkercursussen aan de kaak stelt. Hierdoor kunnen namelijk verschillen ontstaan die in moreel opzicht arbitrair zijn en zodoende de kansenongelijkheid vergroten. Op dit gebied is echter niet veel te verwachten van de overheid, omdat die immers slechts invloed kan uitoefenen op het beleid van onze publiek gefinancierde scholen. Onze aandacht zou dan ook vooral daarop gericht moeten zijn.

 

De belangrijkste vraag die zich daarbij aandient luidt: ‘Hoe kunnen onze scholen het beste met kansengelijkheid en de doorstroommogelijkheden in het basis- en voortgezet onderwijs omgaan?’ Het antwoord is volgens de nieuwe regeringscoalitie – in navolging van D66 en GroenLinks – dat het bieden van ‘brede’ of ‘verlengde’ brugklassen, waarin twee of meer onderwijsniveaus gedurende meerdere jaren in één klas zitten, een belangrijk deel van de oplossing vormt. Deze klassen maken het mogelijk – in de woorden van GL-Kamerlid Westerveld – dat laatbloeiers ‘een tweede, derde, en als het nodig is, een vierde kans’ krijgen.

 

Het klinkt erg aantrekkelijk. Leerlingen van verschillende niveaus zitten twee of drie jaar lang in dezelfde klas, bijvoorbeeld in een vmbo-havo- of havo-vwo-combinatie, waardoor hun kansen om door te stromen naar een ‘hoger niveau’ zullen toenemen. Voor iedere leerling is er dan een ‘gelijkere’ kans om zijn eigen vaardigheden te ontdekken, voordat de definitieve keuze wordt gemaakt voor het vmbo, de havo of het vwo. Toch rijst de vraag: Bevordert dit idee daadwerkelijk de kansengelijkheid? En welke invloed hebben de brede of verlengde brugklassen op de kwaliteit van het onderwijs?

 

De voorstanders van de ‘brede’ brugklassen lijken te suggereren dat het onderscheiden van verschillende onderwijstrajecten, zoals praktijkgericht (vmbo en mbo), beroepsgericht (havo en hbo) en wetenschappelijk (vwo en wo), tot op zekere hoogte arbitrair is tijdens de eerste jaren van de middelbare school. Bovendien wordt het onvermijdelijk het (subjectieve) oordeel van leerkrachten over de prestaties en capaciteiten van  leerlingen in de bredere klassen belangrijker dan objectieve toetsingsmechanismen, zoals de Cito-toets of de schoolexamens. Daarnaast moet de inhoud van zowel de lessen als de examens worden afgestemd op de brede intellectuele verscheidenheid in de klas, waardoor de inhoud van het onderwijs als het ware genivelleerd wordt.

 

Door deze nivellering wordt de meer praktisch-gerichte leerling onnodig geconfronteerd met wetenschappelijke stof en andersom. Met andere woorden: Wil men de intellectueel talentvolle leerling zo vroeg aansporen zich op de wetenschap te richten en de beroepsgerichte leerling zo doeltreffend mogelijk voorbereiden op het beroepsonderwijs, dan dient hun onderwijspakket zo vroeg mogelijk op deze doelstellingen te worden afgestemd. In de brede klassen is voor deze persoonlijke ontplooiing minder ruimte, omdat de keuze voor een bepaald type onderwijs wordt uitgesteld. Zo bezien worden de kansen tot ontplooiing wel gelijker, maar over de gehele linie ook minder. Veel wordt daarmee dus niet gewonnen. Verder is het niet aannemelijk dat de onderwijskwaliteit er in de genivelleerde klassen op vooruit zal gaan, waarbij de ontplooiingskansen voor leerlingen evenmin gediend zijn.

 

Zou het niet rechtvaardiger en doeltreffender zijn om één brugklas te creëren voor alle middelbare scholieren, waarin zowel praktische, beroepsgerichte als wetenschappelijke elementen aan bod komen. Iedere leerling krijgt de kans om met deze richtingen kennis te maken en om vervolgens, op basis van de geleverde prestaties, door te stromen naar het meest geschikte niveau. Blijkt in het tweede of derde jaar dat een leerling toch niet op zijn plek is, dan dienen schoolbesturen open te staan voor herplaatsing. Op deze manier kan het onderwijs vanaf het tweede jaar gerichter, specialistischer en passender worden aangeboden en hoeven leerlingen niet drie jaar lang te wachten voordat ze op het passende traject zitten.

 

Bovendien lijkt aan de argumentatie rondom de brede klassen het idee ten grondslag te liggen dat het ene niveau ‘hoger’ is dan het andere – alsof de samenleving meer behoefte heeft aan slimme academici dan vakkundige loodgieters of monteurs. Als het streven naar ‘kansengelijkheid’ op deze aanname is gebaseerd, dan is het inderdaad begrijpelijk dat men de doorstroommogelijkheid naar het ‘hoogste niveau’ voor iedere leerling zo veel mogelijk wenst uit te stellen. Nemen we daarentegen aan dat ieder individu niet het ‘hoogste’ maar eerst en vooral het meest passende onderwijs moet kunnen krijgen, dan is uitstel juist ongewenst.

 

Kortom, een brede brugklas lijkt een goed idee te zijn voorzover deze zich beperkt tot het eerste jaar op de middelbare school. ‘Verlengde’ brugklassen van twee of drie jaar zullen daarentegen passend noch kwalitatief goed onderwijs opleveren. Onze scholen dienen namelijk de kansengelijkheid van onze leerlingen te bevorderen, maar daarbij mogen zij de ontwikkeling van het individu niet opofferen aan de veronderstelde ambities van het collectief. Leerlingen hebben recht op gelijke kansen, maar gelijk hoeven ze van deze liberaal nooit te worden.

 

Jip Stam is politicoloog, student rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden en deeltijdmedewerker bij de Teldersstichting

Jouw reactie...

    Ronald Weilers

    24 november 2017

    Ben het eens met Jip Stam, de kans dat een dergelijk systeem ook van de rails loopt is niet denkbeeldig. Eigenlijk zou de politiek zich helemaal niet met het onderwijs moeten willen bemoeien, enkel met het gewenste resultaat per opleiding. Ben je klaar met de basisschool moet je daar en daaraan voldoen. Of dat nu met Cito-toetsen of op andere wijze wordt vastgesteld is om het even. De opleidingen moeten geheel op eigen wijze en inzicht het gewenste resultaat bereiken en indien een leerling wat langzamer van begrip is of gewoon een beetje anders, kan er altijd nog een periode aan vastgeknoopt worden waarin aandacht aan de zwakten wordt gegeven. Voor slimmere, snellere leerlingen kan er een zwaarder pakket aangeboden worden, eindigend in een zwaarder examen of Cito-toets. Op deze manier is niet het oordeel van de onderwijzers zwaarwegend, maar enkel het resultaat en indien ouders vinden dat hun kind hoger opgeleid kan worden, kan dat slechts door een proef vastgesteld worden. De basis-opleidingen kunnen dan slechts op de resultaten beoordeeld worden en zouden dan getriggerd kunnen worden het maximale uit de leerlingen te halen. Daarnaast moet het binnen het voortgezette en technische onderwijs mogelijk blijven en/of worden op eigen initiatief van opleiding naar opleiding te switchen indien een opleiding het toch niet is of gewoon te zwaar. Door stringente controle op het resultaat van de opleidingen onderstreept de staat de waarde van uitgereikte diploma’s en weet iedereen waar men aan toe is. Wellicht is bovenstaande te simplistisch, maar het zou veel gedoe en dus kosten kunnen voorkomen en zou het overdenken waard kunnen zijn.