Column: Rijdt Nederland mee naar het eindstation of niet?

Nederland is sinds de presentatie van het nieuwe regeerakkoord van het kabinet-Rutte III in de ban van de koopkrachtplaatjes. De Btw-verhoging, de hoogte van het eigen risico, de afbouw van de hypotheekrenteaftrek, de verlaging van de dividendbelasting en de hervorming van de  inkomstenbelasting – allemaal onderwerpen die Nederlanders ‘in hun portemonnee raken’ en waarmee men de kranten, journaals en talkshows maar al te graag vult. Waar het debat daarentegen nauwelijks over gaat is de vraag waar (en door wie) in de toekomst over ons budget wordt beslist – in Den Haag of in Brussel?

 

Hoewel deze vraag sinds de aanvang van de Europese schuldencrisis in 2008 al herhaaldelijk is opgeworpen, is het tot concrete voorstellen daarover nooit gekomen. De verkiezing van de Franse president Emmanuel Macron heeft daar duidelijk verandering in gebracht. Macron, die zijn verkiezingszege vierde onder de klanken de negende symfonie van Beethoven – ook wel bekend als het ‘Europese volkslied’, heeft namelijk sinds de aanvang van zijn ambtsperiode voor allerlei plannen geijverd om de Europese Unie (EU) te centraliseren en politieker te maken, met name op gebied van de Europese Monetaire Unie (EMU). Hoewel deze plannen nog niet officieel aan de andere lidstaten zijn voorgelegd, ligt het voor de hand dat deze spoedig tot Europees agendapunt worden verheven. Als de Fransen er vervolgens – net als in 1992 bij het Verdrag van Maastricht – in slagen de Duitsers te overreden zich te voegen bij hun wens tot diepere integratie, dan is de kans groot dat er een nieuw Europees compromis zal worden gevormd.

 

Nederland wordt dan andermaal voor het blok gezet. Willen het wél of juist niet mee met het Frans-Duitse tandem? In het verleden heeft de Nederlandse politieke elite zich herhaaldelijk kunnen permitteren om simpelweg ‘ja’ te zeggen tegen dit soort compromissen, zelfs wanneer het draagvlak daarvoor uiterst onzeker was. Dat gold al in 1992, toen ons land zich committeerde aan de gezamenlijke munt, maar dit bleek nog veel duidelijker toen Nederland in 2009 instemde met het Verdrag van Lissabon, ondanks een duidelijke afwijzing van de inhoud daarvan bij een nationale volksraadpleging in 2005. Kennelijk wilden regering en Staten-Generaal de Europese trein gewoonweg niet missen.

 

Op dit ogenblik staat echter geen ‘tussenstation’ meer op het programma, maar komt de ‘eindbestemming’ van de trein – de finaliteit van de EU – steeds duidelijker in zicht. Dit blijkt overduidelijk uit de concrete ambities die president Macron heeft gepresenteerd: Een Europese begroting inclusief minister van financiën, een schuldenunie, Europese belastingen (voor bedrijven) en een Europese ‘interventiemacht’. In het nieuwe regeerakkoord staat dat Nederland zich in ieder geval tegen de schuldenunie zal verzetten, maar voor het overige lijkt het kabinet de kaarten tegen de borst te houden. Dat is riskant, omdat Nederland dan het gevaar loopt zich andermaal voor de Frans-Duitse wagen te laten spannen. Bovendien passen de voornemens van Macron allang niet meer in het adagium ‘Europese samenwerking’. Dat vergt een (nieuwe) langetermijnvisie op het wezen en de doelstellingen van de EU, hetgeen in het regeerakkoord niet valt te bespeuren.

 

‘Samenwerking’, zoals intergouvermentele besluitvorming in de Europese Raad, is namelijk gestoeld op vrijwillige instemming van staten, terwijl de hierboven genoemde plannen overduidelijk tenderen richting de opzet van een nieuw, overkoepelend staatsgezag dat in laatste instantie op een aantal fundamentele beleidsterreinen de beslissingen van de lidstaten kan tegenhouden of bijsturen. Om deze bevoegdheden te kunnen staven, dient de EU van een internationale/supranationale organisatie (statenbond) over te gaan in een federatie (bondsstaat). Onze naamgever B.M. Telders heeft in zijn proefschrift Staat- en volkenrecht (1927) het fundamentele verschil tussen beide vormen zeer helder geformuleerd: ‘De statenbond berust op de instemming van zijn leden, in de bondsstaat kan door wijziging in de rijkskonstititue de autonomie van de leden worden verminderd of zelfs afgeschaft’.

 

Dit cruciale onderscheid laat zich aan de hand van de werking van de Europese Monetaire Unie (EMU) goed uitleggen, omdat deze de politieke noodzaak van federalisering het duidelijkst blootlegt. Volgens wijlen monetair econoom André Szász (1932-2016) komt dit doordat ‘de grens tussen een echte economische unie en een politieke unie’ onduidelijk is. ‘De EMU zal’, aldus Szász, ‘slechts duurzaam zijn als publiek en politiek beseffen en aanvaarden dat één munt inhoudt dat de deelnemende landen monetair en financieel elkaars binnenland zijn. Dat besef komt pas als de EMU wordt gezien als een stap in een voortgaand proces van Europese integratie’.

 

Wie aldus de logica van de EMU doordenkt – zoals Szász zeer verdienstelijk heeft gedaan – komt onvermijdelijk tot de gevolgtrekking dat de staatssoevereiniteit van de deelnemende landen vroeg of laat zal moeten worden opgeheven. Nederland wordt dan een deelstaat met beperkte bevoegdheden binnen een groter staatsrechtelijk verband, wat met zich brengt dat de politieke besluitvorming in Nederland op veel vlakken afhankelijk wordt van eenvoudige meerderheidsbesluiten op Europese schaal. Het EU-recht is dan niet langer (extern) internationaal recht, maar wordt omgevormd tot (intern) staatsrecht en dient om die reden te worden beschouwd als – zoals de Amerikaanse Federalists het treffend aanduidden – ‘the supreme law of the land’.

 

Over deze buitengewoon fundamentele consequentie van federalisering moet – vóórdat die politiek hierover een besluit neemt – uitvoerig worden nagedacht en gediscussieerd. In de ruim zestig jarige geschiedenis van Europese integratie is daar helaas weinig tot niets terecht gekomen, zo ook niet in de aanloop naar de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen. Alsof het (voort)bestaan van de EU een volstrekte vanzelfsprekendheid is. Wie daarentegen in herinnering brengt dat de Europese schuldencrisis bijna heeft geleid tot het vertrek van Griekenland uit de eurozone (en dus uit de EU) en zich bezint op de recente beslissing van het Verenigd Koninkrijk om de Unie te verlaten, kan onmogelijk volhouden dat dit een overbodige luxe is.

 

De wijdverbreide opkomst en toenemende populariteit van nationaal georiënteerde politieke partijen is daarvan de ultieme bevestiging. Het wegzetten van dergelijke bewegingen als xenofoob, provinciaal of irrationeel zal beslist niet helpen. Sterker nog, hun boodschap appelleert in een veel opzichten aan wat Telders in zijn proefschrift reeds opmerkte over het wezen van de staat: ‘Een huidige staat is ethnies, geografies en kultureel bepááld’. Wie van het cultureel diverse continent Europa een vredige en succesvolle bondsstaat wenst te maken, is geraden over deze nog altijd relevante opmerking eerst diep na te denken.

 

Jip Stam is politicoloog, student rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden en deeltijdmedewerker bij de Teldersstichting.

Jouw reactie...

    Georg Kellersmann

    28 november 2017

    Wat de ontwikkeling vn de EU betreft blijven enkele vragen centraal staan. Ten eerste waar willen de bewoners van de lidstaten op nationaal niveau over blijven beslissen en daaruit voortvloeiend tot in welke details willen ze dat. In een Federatie of Bondsstaat – liggen de machtsverhoudingen anders dan in een Confederatie of Statenbond. In de EU zijn de betreffende machtsverhoudingen slecht geregeld. De beginselen van subsidiariteit en van proportionaliteit worden uitgelegd als ‘wat nationaal kan worden geregeld behoort tot de nationale bevoegdheden en wat alleen op Europese schaal kan worden geregeld behoort tot de bevoegdheden van de EU’. Gezien de complexiteit van vrijwel alle beleidsterreinen waarbinnen de politiek in deze tijd van mondialisering voor beslissingen komt te staan zijn de grenzen van het mogelijke en het noodzakelijke wel erg moeilijk voor elk beleidsterrein tot in detail van tevoren te omschrijven.
    Hier komt dan aan de orde een punt waarop ik het niet eens ben met hen die stellen dat het voorstel voor de Europese Grondwet middels een referendum werd afgewezen, maar dat de inhoud ervan ongewijzigd in de verdragen van Lissabon terugkwamen. Er is wel degelijk een wezenlijk verschil, en wel dat in het verdrag van Lissabon is bepaald dat de nationale parlementen een taak hebben bij de besluitvorming in de EU. Er is zelfs een overlegplatform geregeld voor de nationale parlementen. Helaas en dat woord kan niet vaak genoeg worden herhaald, helaas nemen de nationale parlementen niet de moeite om zich in vraagstukken te verdiepen voordat er op Europees niveau beslissingen over worden genomen en daarbij geldt: ‘wie zwijgt stemt toe’. Er schuilt natuurlijk wel een storende ambivalentie in deze ordening van belangrijke besluitvorming. De kiezer neemt deel aan de verkiezingen voor het Europees Parlement dat er is om op Europees niveau besluiten te nemen. De Nationale parlementen zijn er primair om besluiten op nationaal niveau te nemen. Natuurlijk is het moeilijk om bevoegdheden over te dragen, maar een goed werkend voorbeeld is de harmonisering van de nationale industriële normen. Tussen 28 lidstaten bestaan op bilateraal niveau 351 relaties en dus zouden er 351 verdragen moeten worden gesloten, waarvan uiteindelijk zou blijken dat er onderling erg weinig verschillen bestaan.
    Waar in een Federatie (zoals de USA) de Senaat – elke deelstaat met twee stemmen – een even zwaar oordeel heeft als het Huis van Afgevaardigden – waarin de kiezers van alle deelstaten ongeveer evenredig zijn vertegenwoordigd – komt men tot breed aanvaarde besluitvorming die alle leden van de Federatie ten goede komen. In de EU ontbreekt zo’n evenwichtigheid. In de EU liggen de initiatieven bij de Raad van Europa. In het Europees Parlement zijn de inwoners van elke lidstaat degressief vertegenwoordigd, maar om dat te compenseren in de uiteindelijke besluitvorming is de evenredigheid binnen de Raad van Ministers omgekeerd, grote lidstaten meer stemmen dan kleine lidstaten. De balans die in de USA bestaat tussen Huis van Afgevaardigden en Senaat ontbreekt in de EU ten ene male. Dat maakt het wijzen naar Brussel door regeringen waar het gaat om door de bevolking als ongewenst ervaren regelgeving tamelijk hypocriet. Regeringsleiders, ministers en parlementen hebben ingestemd met alle uit Brussel afkomstige regelgeving, ook met de uitfasering van het vetorecht.
    Het uittreden van het Verenigd Koninkrijk maakt duidelijk dat het afscheid nemen als lid van de Unie geen eenvoudige handeling is en dat al helemaal niet als het uittredende lid wel op gelijke voet wenst te blijven participeren in de open markt. Lidstaten waarvan de bevolking overeenkomstige gevoelens koestert als die van de bevolking van het UK doen er goed aan te beginnen hun parlementen wakker te schudden. Daar ligt het begin van de weg naar meer democratische verhoudingen binnen de EU.

    Ronald Weilers

    14 november 2017

    Blijkbaar is een te belangrijk deel van de politici nog steeds, te opportunistisch, te dom, niet geïnteresseerd, te veel in de eigen ‘bubble’, te visieloos enz. om te begrijpen dat Europa enkel en alleen stabiel tot een grotere eenheid kan ontwikkelen als er binnen de bevolkingen voldoende steun is. Deze steun kan alleen in haar eigen tempo groeien en dat zou je ‘organisch’ kunnen noemen. De politiek zou stippen aan de horizon kunnen formuleren, het ‘organische’ proces begeleiden, maar absoluut niet forceren, want dat maakt alles kapot en zal Europa uiteindelijk weer uit elkaar doen vallen.
    Kortom D66 en Groen Links zullen moeten stoppen met drammen en de VVD, maar ook het CDA zullen veel duidelijker moeten maken wat men nu eigenlijk voor ogen heeft voor de toekomst van Europa. PVV en FvD zal toch vliegen afgevangen moeten worden door het formuleren van een duidelijk toekomst perspectief en niet visieloos reageren op ‘dagwanen’.