Artikel: Massale verengelsing aan Nederlandse universiteiten is een verkeerde ontwikkeling

Onlangs is de discussie over Engels als voertaal op Nederlandse universiteiten opnieuw losgebarsten, nadat de vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON) bekend maakte een rechtszaak tegen de Nederlandse staat voor te bereiden. BON stelt dat artikel 7.2 van de Wet op het Hoger Onderwijs, waarin het gebruik van de Nederlandse taal op hoger onderwijsinstellingen is voorgeschreven, gewoonweg wordt overtreden en dat het ministerie van Onderwijs daarom moet ingrijpen. Jip Stam schreef in Liberaal Reveil 2016/4 al een artikel over dit onderwerp, waarin hij een lans breekt voor het Nederlands als academische voertaal maar ook pleit voor ‘proportionele tweetaligheid’. Vanwege de hernieuwde belangstelling voor dit onderwerp is het betreffende artikel voor een tweede maal gepubliceerd op de TeldersCommunity.

 

Inleiding

Het Engels is de taal der wetenschap. Dat betekent dat iedere zichzelf serieus nemende academicus het dient te beheersen. Middelbare scholen en universiteiten doen er daarom goed aan hun leerlingen en studenten hierin op te leiden. Dat mag echter niet ten koste gaan van het Nederlands, de taal der maatschappij. Universiteiten zijn immers onlosmakelijk met de maatschappij verbonden, wat impliceert dat de Nederlandse taal in het academische wezen (evenzeer als het Engels) een belangrijke plaats inneemt. Artikel 7.2 van de Wet op het Hoger Onderwijs onderstreept dit gegeven: ‘Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands’.[i]

 

Deze terechte wettelijke verankering van het Nederlands ten spijt, zijn de Nederlandse universiteiten de afgelopen jaren een afwijkende koers gaan varen. Zij hebben hun opleidingen namelijk massaal (en in rap tempo) verengelst. Een funeste ontwikkeling, die niet alleen indruist tegen de geest van de Wet op het Hoger Onderwijs en tegen het belang van Nederlandse studenten, maar ook verregaande maatschappelijke en culturele consequenties zal hebben. Bovendien lijkt de Angelsaksische tunnelvisie van de universiteiten slechts ingegeven door perverse en ondoordachte argumenten. Daargelaten dat deze ontwikkeling op termijn de kloof tussen de maatschappelijke elite en de rest van de burgerbevolking louter zal verdiepen.

 

De moedertaal niet machtig

Hoewel het Engels in rap tempo ‘oprukt’, worden de meeste bacheloropleidingen gelukkig nog in het Nederlands aangeboden. Er heerst onder een groeiende groep docenten en hoogleraren van deze opleidingen echter een toenemende ontevredenheid over het belabberde taalgebruik van hun nieuwe studenten. Uit een recente rondgang van NRC Handelsblad  langs verschillende hoger onderwijsinstellingen bleek dat de Nederlandse taalvaardigheid bij een meerderheid van de studenten te wensen te overlaat. Dit uit zich met name in gebrekkige spelling, foutieve interpunctie, verkeerde woordkeus, verwarrende tekststructuur en beperkte woordenschat.[ii]

 

Beseffende dat dit een struikelblok vormt bij het bezigen van welke academische discipline dan ook, zoeken universiteiten al enkele jaren naar oplossingen voor dit serieuze vraagstuk.[iii] Voorbeelden hiervan zijn verplichte taaltoetsen en bijspijkercursussen, die bij steeds meer universiteiten worden ingevoerd. Maar daarmee is het probleem allerminst verholpen, zo stelt bijvoorbeeld Andreas Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie te Leiden. Volgens hem zijn de verplichte taaltoetsen en bijspijkercursussen slechts ‘lapwerk’; een vorm van symptoombestrijding die het structurele probleem van onvoldoende Nederlandse taalbeheersing niet oplost.

 

Kinneging wijst met een beschuldigende vinger naar het basis- en voortgezet onderwijs, waar volgens hem te weinig aandacht aan schrijfvaardigheid wordt besteed. Met name het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), zo stelt de professor, dient zijn naam eer aan te doen en leerlingen daadwerkelijk  op wetenschappelijk onderwijs voor te bereiden. Dat houdt primair in: een behoorlijke lees-, schrijf- en spreekvaardigheid in het Nederlands.[iv]

 

De Nederlandse Taalunie, de beleids- en kennisorganisatie voor het Nederlands, voegt daar nog aan toe dat universiteiten ook zelf een verantwoordelijkheid hebben in de taalontwikkeling van hun studenten. Die stopt immers niet bij na het voortgezet onderwijs, maar loopt onvermijdelijk door tijdens het volgen van een academische studie. Universiteiten wordt daarom aangeraden bewust te blijven sturen op de taalontwikkeling van studenten en het niet bij een enkele taaltoets te houden.[v] Dit geldt primair voor het Nederlands (de taal der maatschappij), maar ook voor het Engels (de taal der wetenschap). Al was het maar om ervoor te zorgen dat studenten in staat zijn hun Engelstalige literatuur te lezen en te begrijpen, en om bijvoorbeeld in aanmerking te komen voor een onderzoeksmaster of een promotieplek. Bezien vanuit dit perspectief doen universiteiten er goed aan in te zetten op proportionele tweetaligheid.

 

Alles over voor internationals

Alle wijze (lees: genuanceerde) adviezen ten spijt, lijken Nederlandse universiteiten een heel ander taalbeleid voor ogen te hebben. Het Nederlands maakt namelijk bij steeds meer universitaire opleidingen plaats voor het Engels – zonder de instandhouding van Nederlandstalige alternatieven. Uit een recente inventarisatie van de Volkskrant blijkt dat dit inmiddels bij 60% van alle in Nederland aangeboden opleidingen het geval is.[vi] En dit percentage is slechts een gemiddelde; drie universiteiten verzorgen zelfs geen enkel Nederlandstalig masterprogramma meer. Bovendien wordt het Nederlands nu ook bij bacheloropleidingen stapje voor stapje in de ban gedaan.

 

De universiteiten beroepen zich daarbij op lid c van het eerder genoemde artikel 7.2 van de Wet op het Hoger Onderwijs. Deze bepaling luidt dat ‘indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de studenten daartoe noodzaakt’ het Nederlands als voertaal mag worden losgelaten. Met name de twee laatstgenoemde gronden zetten de deur open voor de verengelsing; universiteiten beweren namelijk dat dit kwaliteit van het onderwijs ten goede komt en bovendien noodzakelijk is vanwege de herkomst van hun studenten.

 

De achterliggende redenen hiervoor worden bondig toegelicht op een zogeheten factsheet’ van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) dat twee maanden geleden is gepubliceerd. Dit document, getiteld ‘Toename internationale studenten goed voor Nederland’[vii], vertrekt vanuit de vooronderstelling dat de werkomgeving van universitair opgeleiden in toenemende mate internationaal [is]’ en dat dit ‘andere vaardigheden en competenties’ vereist. Daarom streeft de VSNU ernaar zoveel mogelijk internationale studenten in Nederland te verwelkomen. Die studenten zouden namelijk bijdragen aan een ‘internationaal karakter’ van de opleidingen en een ‘ambitieuzere studiehouding’, wat de kwaliteit van het onderwijs zou bevorderen.

 

Bovendien, zo stelt de VSNU, kunnen Nederlandse studenten hun Engelse taalvaardigheid verbeteren en leren zij dankzij de internationalisering ‘andere culturen kennen’. Mede hierdoor kunnen ze een ‘internationaal netwerk’ opbouwen, waar ze na hun opleiding ongetwijfeld profijt van zullen hebben. Verder bespreekt het ‘factsheet’ allerlei economische voordelen aan de komst van buitenlandse studenten. Zo zouden zij  op lange termijn de ‘handelsrelaties tussen Nederland en andere landen verbeteren’ en leveren zij ongetwijfeld veel geld op ‘voor de staatskas’, mochten zij na hun studie in ons land blijven wonen en werken.

 

Drijfzand

Het klinkt natuurlijk prachtig: de komst van internationale studenten, en de daarmee gepaard gaande verengelsing van onze opleidingen, lijkt alleen maar winnaars te hebben. Wie echter de hierboven genoemde redenen kritisch tegen het licht houdt, komt onvermijdelijk tot de conclusie dat de VSNU er betrekkelijk simplistische, ondoordachte en perverse argumentatie op na houdt. Bovendien lijken de facts op het factsheet op drijfzand te zijn gebaseerd.

 

Zo is het uiterst twijfelachtig of het hanteren van het Engels als de enige academische voertaal de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt. Er zijn namelijk betrekkelijk voor de hand liggende aanwijzingen voor het tegendeel. Zo bleek uit een recente enquête van studentenvakbond LSVb dat een meerderheid van de Nederlandse studenten het ‘steenkolen Engels’ van hun docenten en hoogleraren dikwijls moeilijk kan volgen.[viii] En dat is ook niet verwonderlijk. Docenten en hoogleraren hebben plotseling hun onderwijsprogramma in een vreemde taal te verzorgen, iets waarvoor zij eigen zeggen onvoldoende op voorbereid zijn. Dit bleek ook wel uit de noodkreet van vier Amsterdamse academici uit 2014 en een indrukwekkende petitie van enkele tientallen hoogleraren van ongeveer een jaar geleden. In beide manifesten worden grote zorgen geuit over de kwaliteit van het onderwijs naar aanleiding van de ‘totalitaire’ verengelsing op Nederlandse universiteiten.[ix]

 

Dat ook studenten last hebben van de taalbarrière ligt voor de hand. Hun gemiddelde Engelse taalvaardigheid ligt bij de afronding van de middelbare school hooguit op niveau B2 (enkele uitzonderingen daargelaten), en dat is bij lange na niet voldoende om de diepgang en de complexiteit van een universitaire opleiding aan te kunnen. Het is daarom niet meer dan logisch dat de radicale omslag naar het Engels – in tegenstelling tot wat universiteiten bij monde van de VSNU beweren – de onderwijskwaliteit helemaal niet bevordert. Integendeel, door te communiceren in het Engels kunnen Nederlandse studenten elkaar en hun docenten goed verstaan dan voorheen, wat ongetwijfeld afdoet aan het wederzijdse begrip, de diepgang en nuance – kortom: de kwaliteit van het onderwijs. Dit argument gaat overigens ook op voor buitenlandse studentendiegenen om wie het allemaal te doen is – aangezien zij eveneens met het gebrekkige Engels van Nederlandse docenten worden geconfronteerd.

 

De tweede veronderstelling van de VSNU, namelijk dat de aanwezigheid van internationale studenten de Nederlandse studenten ‘cultureel verrijkt’ en hun de mogelijkheid biedt een ‘internationaal netwerk’ op te bouwen, is eveneens zeer slecht onderbouwd. Natuurlijk is het toe te juichen als Nederlanders belangstelling krijgen voor andere culturen en zich oriënteren op de internationale arbeidsmarkt – daar is niemand op tegen. Het is echter een wassen neus dat dit als vanzelf zou worden bevorderd door internationale studenten op betrekkelijk gekunstelde wijze in Nederlandse collegezalen te plaatsen. Leren studenten daardoor daadwerkelijk ‘andere culturen kennen’? Het is uiterst twijfelachtig. En zelfs als we zouden aannemen dat dit inderdaad zo gemakkelijk zou gaan, dan rijst de vraag of alle Nederlandse studenten daar wel zo’n behoefte aan hebben. Zij studeren immers primair aan de universiteit om specifieke opleiding te doorlopen; om kennis te vergaren – niet voor een lesje Franse, Italiaanse of Chinese cultuur.

 

Zou het niet veel beter en doeltreffender zijn als Nederlandse studenten de mogelijkheid krijgen om op eigen initiatief een tijdje in een ander land te studeren, zodat men zich geheel vrijwillig en doelbewust kan onderdompelen in een andere cultuur? Dat doen de buitelanders die naar Nederland komen namelijk ook; zij trekken heus niet uitsluitend naar ons land vanwege het relatief hoogwaardige en goedkope onderwijs, maar – als het goed is – ook vanwege hun interesse in onze cultuur. Dat dit inhoudt dat buitenlandse studenten zich ook verdiepen in onze taal lijkt de VSNU volledig te ontgaan. In plaats daarvan streeft zij naar volledige Engelstaligheid, om de internationale studenten het zo ‘gemakkelijk’ mogelijk te maken om aan het onderwijs deel te nemen.

 

Dit wordt bij sommige instellingen zelfs zo serieus genomen, dat men de Nederlandse taal volledig uit de universitaire omgeving wil verbannen. Een goed voorbeeld daarvan is de Universiteit van Tilburg, die niet alleen een officiële naamsverandering heeft ondergaan – zij heet thans Tilburg University – maar inmiddels ook al haar faculteitsgebouwen, van buiten en van binnen, volledig heeft ontdaan van het Nederlands. Tilburgse studenten wanen zich daardoor niet op een Nederlandse universiteit, maar in een volledig neutrale, aculturele, ja gedenationaliseerde omgeving. Een soort kosmopolitisch paradijs, waar studenten niet bang hoeven te zijn dat ze zich ook maar enigszins in de nationale taal en cultuur moeten verdiepen. Dit laat zich natuurlijk moeilijk rijmen met het ideaal van ‘andere culturen leren kennen’.

 

Dat deze – in sommige gevallen reeds vergevorderde – culturele ontworteling van de onze universiteiten wordt gelegitimeerd met het argument dat het ‘positief is voor de staatskas’ en onze ‘handelsrelaties verbetert’ is nog het meest verbazingwekkend. Niet alleen omdat men hier volledig voorbij gaat aan de centrale opdracht van de universiteit, namelijk mensen opleiden tot intelligente, betrokken en kritische burgers, maar ook omdat het uitsluitend is gericht op de utiliteit van de internationale studenten. ‘Hoeveel leveren ze ons op’, stelt men zich de vraag? Het is een houding die je normaal gesproken uitsluitend in het bedrijfsleven zou verwachten.

 

Belang van (taal voor) de maatschappij

De belangen van Nederlandse studenten, die nog altijd ruim 85% van de academische studentenpopulatie uitmaken[x], komen daarentegen nauwelijks aan de orde in het VSNU-beleid. Vanuit liberaal perspectief is dat een uiterst kwalijke zaak. Het zijn immers Nederlandse burgers die onze universiteiten van een flinke subsidiepot voorzien, waaruit zij hun onderwijs en onderzoek goeddeels bekostigen. De universitaire voorzieningen worden dus in belangrijke mate in stand gehouden door de Nederlandse samenleving. Om die reden mag de samenleving op haar beurt van universiteiten verwachten dat zij primair het maatschappelijk belang voor ogen hebben. Dat is een kwestie van wederkerigheid.

 

Universiteiten zouden zich derhalve niet alleen moeten bezighouden met wetenschappelijk onderzoek, maar eveneens met de vorming van, zoals J.R. Thorbecke het verwoordde, een ‘kleine minderheid, geroepen om […] het licht te ontsteken, dat aan de maatschappij in haar geheel de weg moet wijzen’.[xi] Universiteiten hebben aldus een belangrijke richtinggevende taak in de ontwikkeling van de maatschappij, wat wel blijkt wel uit het feit dat zij aan studenten kennis en kunde verschaffen voor de meest verantwoordelijke functies. Denk hierbij aan het openbaar bestuur, de volksvertegenwoordiging, de rechtsspraak, het bedrijfsleven, het onderwijs, de zorg en de media; stuk voor sectoren waarin niet alleen academische kennis, maar ook maatschappelijke betrokkenheid onontbeerlijk is. Wie die betrokkenheid gestalte wil geven, zal op hoog niveau het Nederlands moeten beheersen. Hoe kunnen de hoogopgeleiden van de toekomst anders ‘de maatschappij in haar geheel de weg wijzen’?

 

Bovendien heeft de Nederlandse taal een verbindende functie, niet alleen in praktische maar ook in culturele zin. Dit is precies de reden waarom de Nederlandse samenleving van immigranten (en hun nageslacht) verwacht dat zij zich inspannen om de Nederlandse taal machtig te worden. Door het beheersen van de maatschappelijke taal zijn zij immers in staat om op gelijke voet deel te nemen aan de maatschappij, waardoor hun kansen op succes en geluk in ons land ongetwijfeld worden vergroot.

 

Deze inclusieve functie van de taal dient daarnaast de solidariteit in onze samenleving; het bevordert burgerparticipatie en draagt bij aan gevoel van verbondenheid tussen alle Nederlanders. Ook om deze reden blijft het cultiveren van de onze taal en het bevorderen van eenieders taalvaardigheid van groot belang. Niet in de laatste plaats omdat ons land thans in toenemende mate wordt geplaagd door politieke en culturele polarisatie, tussen hoog- en laagopgeleide Nederlanders, maar ook tussen autochtonen en allochtonen.

 

Conclusie

Willen we dergelijke verdeeldheid in onze samenleving tegengaan en zijn we bereid om onze cultuur te koesteren en te verdedigen, dan moeten we de gemeenschappelijke taal niet afschaffen, maar juist cultiveren en verankeren in alle lagen van het onderwijs. Politici en universiteitsbesturen dienen zich hiervan bewust te worden en hun wetgeving en beleid bij te sturen. In plaats uitsluitend te kiezen voor het Engels als voertaal op Nederlandse universiteiten, dient men in te zetten op hoogstaand academisch onderwijs op basis van proportionele tweetaligheid, opdat zowel het Nederlands als het Engels voldoende aandacht krijgen. Hierbij zijn zowel onze studenten als de gehele samenleving het meest gebaat.

 

Natuurlijk neemt dat niet weg dat universiteiten ook moeten inzetten op internationale uitwisselingsprogramma’s en het verwelkomen van getalenteerde buitenlandse studenten in Nederland. Dit mag er echter nooit toe leiden dat Nederlandse universiteiten hun culturele wortels afsnijden en hun maatschappelijke opdracht daardoor verwaarlozen. Zeker niet wanneer dit louter wordt gedaan omwille financieel gewin of internationale prestige. Universiteiten zijn er immers niet voor zichzelf, maar staan ten dienste van de maatschappij.

 

Om bestuurders en beleidsmakers aan deze dienstbaarheid te blijven herinneren, moet er een publiek debat op gang komen over de rol en betekenis van taalbeheersing in het hoger onderwijs. Hierbij moeten politici en universiteitsbestuurders met de billen bloot wat betreft hun toekomstvisie op de Nederlandse taal en cultuur, en hoe men deze visie vertaalt naar de vormgeving van ons onderwijs. En daar is haast bij. Voor je het weet wordt er – naast de opleidingen Neerlandistiek – alleen nog aan de rechtenfaculteiten het Nederlands gebezigd, met als enige reden dat de wetten van ons land nu eenmaal in die taal zijn opgeschreven.


Drs. J. (Jip) Stam is politicoloog, student rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden en deeltijdmedewerker van de Teldersstichting.

 

[i] Wet op het Hoger Onderwijs (1992). http://wetten.overheid.nl/BWBR0005682/2016-10-01#Hoofdstuk7_Titeldeel1

[ii] Huygen, M. (2016). NRC Handelsblad. Scripties en tentamens vol taalfouten. 5 september 2016

[iii] Ibidem. Zie ook het ‘Manifest tot behoud van het Nederlands’ uit 2014, geschreven door vier academici van de Universiteit van Amsterdam

[iv] Huygen, M. (2016). Scripties en tentamens vol taalfouten. NRC Handelsblad. 5 september 2016

[v] Ibidem

[vi] Bouma, K. (2016). Meer dan de helft van de studies volledig in het Engels. De Volkskrant. 26 augustus 2016

[vii] Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU). (2016). Factsheet internationalisering. ‘Toename internationale studenten goed voor Nederland’. http://www.vsnu.nl/files/documenten/Factsheets/26_Factsheet_internationale_studenten.pdf

[viii] Bouma, K. (2016). Meer dan de helft van de studies volledig in het Engels. De Volkskrant. 26 augustus 2016

[ix] Zie het ‘Manifest tot behoud van het Nederlands’ (2014) van vier academici van de Universiteit van Amsterdam en het ‘Het groot manifest der Nederlandse taal. NRC Handelsblad. 27 juni 2015

[x] Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU). (2016). Factsheet internationalisering. ‘Toename internationale studenten goed voor Nederland’. http://www.vsnu.nl/files/documenten/Factsheets/26_Factsheet_internationale_studenten.pdf

[xi] Thorbecke, J.R. (2007). Thorbecke: De scheppende kracht van de natie. Het liberalisme volgens J.R. Thorbecke. Van Gennep, Amsteradam. Blz. 104.

Jouw reactie...