Artikel: ‘Minder Marokkanen’, vrijheid van meningsuiting en legaliteit

Eind deze maand begint het gerechtshof te Den Haag aan het hoger beroep in de ‘Minder minder’-zaak tegen politicus Geert Wilders. Daarmee breekt een belangrijke fase in het proces aan, omdat de beroepsrechter zal moeten nagaan of de lagere rechtbank tot het juiste oordeel is gekomen. Het hof zou er daarbij goed aan zich te bezinnen op de diepere betekenis van zowel de vrijheid van meningsuiting (art. 7 Gw) als het legaliteitsbeginsel (art. 16 Gw); twee cruciale fundamenten van de democratische rechtsstaat.

 

Het belang van deze zaak is dan ook niet beperkt tot het individuele (politieke) belang van Geert Wilders, maar raakt – in een meer fundamentele zin – aan de vrijheid van alle burgers. Dit heeft ten eerste te maken met de inperking van de vrijheid van meningsuiting die in de artikelen 137c en 137d van het wetboek van strafrecht besloten ligt. Hoewel deze artikelen op basis van een nastrevenswaardig doel in het leven zijn geroepen, namelijk in het kader van het VN-anti-rassendiscriminatieverdrag uit 1965, is hun uitwerking op het democratische gehalte van onze rechtsorde uiterst discutabel.

 

Dit heeft eerst en vooral te maken met de bijzondere taak van democratisch gekozen volksvertegenwoordigers om de in hun ogen belangrijke maatschappelijke vraagstukken ter discussie te stellen namens een breed publiek, zodat heikele kwesties algemeen bespreekbaar worden. Om daarvoor zoveel mogelijk ruimte te bieden en het openbare politieke debat zo min mogelijk te verstoren, is een ruime vrijheid van meningsuiting onontbeerlijk. Dat daardoor een botsing van meningen plaatsvindt en het debat mogelijk gepolariseerd raakt, is daarvan een noodzakelijk gevolg.

 

De Franse Verlichtingsfilosoof Voltaire vatte deze – voor sommigen moeilijk te accepteren – inherente aard van het liberaal-democratische debat treffend samen in de aan hem toegeschreven uitspraak: ‘Ik ben het in alle opzichten met de spreker oneens, maar ik zal mijn leven geven voor zijn recht om het te zeggen’. Daarmee gaf Voltaire uitdrukking aan de klassieke notie van tolerantie, waarin in de eerste plaats de verdraagzaamheid jegens andermans uitingsvrijheid centraal staat. In deze traditie staan ook andere prominente klassiek-liberale denkers, zoals J.S. Mill en John Locke.

 

De artikelen 137c en d uit ons wetboek van strafrecht, op basis waarvan het aanzetten tot discriminatie, aanzetten tot haat of gewelddadig optreden en groepsbelediging strafbaar zijn gesteld, staan duidelijk op gespannen voet met deze klassieke opvatting van verdraagzaamheid. Wie de strafbepalingen zorgvuldig leest ontwaart daarin allerminst de doelstelling om meningen te verdragen, als wel om bepaalde opvattingen uit het publieke debat te verbannen. Een treffend voorbeeld daarvan is de veroordeling van Tweede Kamerlid Hans Janmaat in 1997 vanwege zijn uitspraak over de ‘afschaffing van de multiculturele samenleving’ in combinatie met leuzen als “vol is vol” en “Nederland voor de Nederlanders”. De rechter bestempelde dit twintig jaar geleden als aanzetten tot discriminatie in de zin van artikel 137d, onder vermelding van de overweging dat het begrip ‘buitenlanders’ – waarnaar Janmaat zou hebben verwezen – valt onder de beschermde categorie ‘ras’.

 

Los van de vraag wat Janmaat precies met zijn uitlatingen bedoelde, is met zijn veroordeling de maatschappelijke discussie over het thema ‘immigratie en multiculturalisme’ aanzienlijk belemmerd. De juridische consequentie van de anti-discriminatiebepalingen was immers dat maken van onderscheid tussen ‘Nederlanders’ en ‘niet-Nederlanders’ tegen de achtergrond van de wenselijkheid van een ‘multiculturele samenleving’ strafbaar is – alsof dergelijke ideeën onder geen beding ter discussie zouden mogen staan.

 

Hoewel er in de tweede Wilderszaak niet over ‘buitenlanders’ maar specifiek over ‘minder Marokkanen’ werd gesproken, zijn beide zaken vergelijkbaar. Ook bij Wilders kwam de rechter tot de conclusie dat ‘Marokkanen’ in juridische zin begrepen moet worden als ‘ras’, waarmee zijn uitspraak voor strafbaarheid in aanmerking kwam. Daarmee heeft de rechter – daartoe aangezet door de strafwet – er blijk van gegeven de klassieke opvatting van tolerantie te hebben ingeruild voor een geperverteerde notie van tolerantie die – in tegenstelling tot de klassieke opvatting – juist de inperking van de uitingsvrijheid behelst.

 

Naast deze inbreuk op het klassieke tolerantiebegrip is er nog een tweede belangrijke reden waarom de anti-discriminatiebepalingen in de strafwet op gespannen voet staan met de democratische rechtsstaat. De rechter heeft in de tweede Wilderszaak (net als bij Janmaat) namelijk gebruik gemaakt van extensieve interpretatie van wetten, d.w.z. het verruimen van de betekenis van juridische begrippen. Soms ontkomt de rechter daar niet aan, maar ten aanzien van opiniedelicten –  zoals de artikelen 137c en d Sr treffend kunnen worden aangeduid – is het uiterst onwenselijk om de wet te moeten aanvullen met buitenwettelijke criteria.

 

Extensieve interpretatie staat op haar beurt namelijk op gespannen voet met het legaliteitsbeginsel, als vastgelegd in artikel 16 van de Grondwet. Met dit beginsel heeft de grondwetgever willen zekerstellen dat burgers alléén aan het strafrecht onderworpen kunnen worden op grond van een wet die langs formele weg tot stand is gekomen en van te voren bekend is gemaakt. In het verlengde van deze criteria ligt het zogeheten lex certa-beginsel, dat inhoudt dat iedere verboden gedraging in de strafwet duidelijk en precies moet worden omschreven. Elke rechtsdeelnemer moet immers op gelijke voet kennis moet kunnen nemen van de (straf)wet, op basis van een zo duidelijk en eenduidig mogelijk begrippenkader. Het legaliteitsbeginsel vormt volgens deze redeneerwijze de basis van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid; twee onontbeerlijke beginselen in een liberale samenleving waar vrijheid en gelijkheid hebben te zegevieren.

 

Het scharen van begrippen als ‘buitenlanders’ of ‘Marokkanen’ onder de beschermde categorie ‘ras’ in de zin van de artikelen 137c en d Sr lijkt met de beginselen van legaliteit en lex certa in tegenspraak. Niet alleen is het hanteren van het begrip ‘ras’ uiterst discutabel in biologische (lees: wetenschappelijke) zin, ook strookt de juridische uitleg ervan – zo gaf de rechter in de uitspraak van de ‘Minder minder’-zaak zelfs ruiterlijk toe – niet met de dominante betekenis in het Nederlands spraakgebruik. Toch was dit alles geen aanleiding voor de rechtbank om extensieve interpretatie na te laten. Integendeel.

 

Hoewel het de rechter niet zozeer is aan te rekenen dat hij de wet heeft toegepast met inachtneming van de inhoud van het Verdrag van New York, heeft hij daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan wat gerust een dubbele aanval op de democratische rechtsstaat genoemd kan worden. Want niet alleen is het klassieke tolerantiebegrip als basis voor de vrijheid van meningsuiting (art. 7 Gw) op de tocht komen te staan, ook is het voor iedere rechtsstaat cruciale legaliteitsbeginsel (art. 16 Gw) aan het wankelen gebracht.

 

Het gerechtshof te Den Haag, waar de Wilderszaak vanaf eind oktober opnieuw wordt behandeld, zal hiervan ongetwijfeld moeilijk zijn te overtuigen. Het hof is immers gebonden aan de juridische werkelijkheid die zich in de loop der decennia rondom de artikelen 137c en d Sr heeft gevormd. De bal ligt daarom in de eerste plaats bij de wetgever; de instantie die de problematiek omtrent de onderhavige anti-discriminatiebepalingen ooit in het leven heeft geroepen.

 

Haar opdracht is simpel: Hanteer één heldere en aantoonbare grens voor strafbaarheid (lees: aanzetten tot gewelddadig optreden) en vermijd onduidelijke beschermde categorieën zoals ‘ras’. Alleen op deze wijze kan zowel aan de vrijheid van expressie als het legaliteitsbeginsel recht worden gedaan.

 

Jip Stam is politicoloog, student rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden en deeltijdmedewerker bij de Telderstichting.

Jouw reactie...

    Georg Kellersmann

    6 oktober 2017

    Jip Stam heeft best gelijk. Maar dan wel omdat het hier gaat om wat juridische spitsvondigheden. De vraag of de bedoelde uitroep ‘Minder, minder’ over Marokkanen dezelfde intentie heeft als wanneer er een met name genoemd ‘ras’ in plaats van Marokkanen had gestaan.
    Het gaat er in wezen om dat een politicus systematisch bezig is met haat te zaaien en dat is heel iets anders dan het uiting geven aan een mening. Het is daarom te betreuren dat de zaak de uitroep ‘Minder, minder’ als kern heeft en niet het doel van die en vele andere uitspraken die – anders dan het minder, minder geroep – tot in den treure worden herhaald.
    Misschien kan Jip Stam hier uitleggen waarom hij het ‘deïslamiseren van Nederland’ wil rangschikken onder het uiting geven van een mening.

      Jip Stam

      9 oktober 2017

      Volgens mij zijn er twee benaderingswijzen waaruit we kunnen kiezen t.a.v. de vrijheid van expressie; twee aanvliegroutes. De eerste is de methode Voltaire, die ik hierboven naar boven heb gebracht en is samen te vatten in de zin: ‘Ik ben het in alles wat u zegt met u oneens, maar ik zal uw recht om het te zeggen verdedigen’. Aan de andere kant is er een benaderingswijze – en deze lijk ik bij u te bespeuren, meneer Kellersmann – die luidt: ‘Ik vind dat uw meningsuiting kwetsend is richting andere mensen of bevolkingsgroepen, en daarom vind ik dat u het niet mag zeggen’. Ik ben van mening dat alleen de eerste visie in een democratie houdbaar is, aangezien heikele politieke kwesties (taboes) anders niet aan de orde kunnen worden gebracht. Dat Geert Wilders een aantal van die taboes bespreekbaar probeert te maken is dan ook winst, ook al laten zijn methode e inhoud vaak te wensen over. Voor mij betekent dat 1) dat je het debat met hem inhoudelijk moet aangaan in plaats van vermijden (via het strafrecht) en 2) dat de flauwekul die hij dikwijls verkoopt in het debat naar voren moet worden gehaald en bekritiseerd op basis van redelijke argumenten. Dit is de enige manier waarop een democratie als een effectieve schokdemper van radicaal gedachtegoed kan fungeren. Het verbieden van uitingen, althans zolang die niet tot gewelddadig optreden oproepen, zoals ‘Willen jullie meer of minder Marokkanen’ en het demoniseren van de politicus die een dergelijk standpunt naar voren brengt, staat een democratische oplossing alleen maar in de weg. Bovendien gaan, zoals in Duitsland duidelijk te zien is, de radicale – zowel rechtse als linkse – partijen ondergronds als gevolg van een politiek-correct klimaat. Dat de AfD onlangs de buitengewoon hoge kiesdrempel van 5% heeft gehaald en vertegenwoordigd is in de Bondsdag is om die reden winst te noemen. De aanwezigheid van deze partij zal weliswaar het debat opschudden en polariseren, maar tegelijkertijd, zo is mijn verwachting, de neiging van rechts-radicale bewegingen om ondergronds te gaan doen afnemen.

        Georg Kellersmann

        17 oktober 2017

        Van de twee benaderingen plakt u mij het tweede op. Maar Meneer Stam, daarbij spreekt u over het “kwetsen” van anderen. Inderdaad, als we het kwetsen als criterium nemen dan zal er weinig overblijven om in vrijheid een mening over te uiten. Kwetsende uitspraken zijn uiteraard voor niemand aangenaam en zullen in het algemeen niet uitdagen tot een dialoog, een debat. Het zou de persoon die de kwetsende uitspraken deed immers ook mogelijk zijn geweest een mening te uiten zonder kwetsend te worden. Wie kwetst geeft in feite alleen daardoor al aan dat hij/zij niet tot debat bereid is. En dat, u kunt het nauwelijks tegenspreken, wil de heer Winders ook niet. Als die spreekt over deïslamieren wenst hij in het geheel geen debat. Zijn uitingen zijn door de exact gekozen momenten waarop ze worden gedaan erop gericht zoveel mogelijk afkeer op te roepen tegen de Moslems die in ons land aanwezig zijn. Bij die aanwezigheid teken ik aan, dat die mensen er zijn omdat ze werden uitgenodigd om het werk te komen doen waarvoor veel Nederlanders destijds niet in staat waren dan wel niet bereid waren. Dat we nu over de derde generatie spreken die naar onze mening niet of te weinig is geïntegreerd zou ons het schaamrood op de politieke kaken moeten brengen.
        Dat de oproep door Wilders om minder, vooral minder Marokkanen in het land te hebben juist door het Openbaar Ministerie is uitgekozen om hem van het uiten van bepaalde meningen af te houden lijkt mij een grote vergissing. Door het analyseren van al zijn uitlatingen, gerangschikt naar plaats en tijdstip kan worden bewezen dat hij haat zaait en – zij het indirect daardoor – oproept tot geweld. Een veroordeling daarvoor zou naar mijn mening recht doen.

    Patrick van Schie

    6 oktober 2017

    Vrijheid van meningsuiting moet inderdaad zeer ruim zijn, voor volksvertegenwoordigers én voor andere burgers. Aanzetten tot geweld, zoals Jip stelt, maar ook smaad en laster zijn terechte gronden voor inperking; het je beledigd voelen niet want dan is het hek van de dam om van alles en nog wat te verbieden. In dit geval is het inderdaad ook nog eens erg kwalijk dat een rechter eerst de woorden van Wilders verdraait, alsof hij het over een ras zou hebben gehad, om hem op grond van een hem aldus in de mond gelegde uitspraak te veroordelen.